Hadenini

Traditioneel behoorde de stam Hadenini tot de onderfamilie Hadeninae binnen de uilen (Noctuidae). Moderne fylogenetische onderzoeken hebben echter geleid tot stabielere taxonomische inzichten. Hoewel er geen consensus onder wetenschappers bestaat, zijn de Hadenini verplaatst naar de Noctuinae. Met de database van het National Center for Biotechnology Information (NCBI) als uitgangspunt wordt deze indeling op deze website gevolgd.

De Hadenini vormen een vrij grote stam waarbij wereldwijd meer dan 140 geslachten zijn beschreven. Het zijn over het algemeen stevig gebouwde nachtvlinders met haar op het lichaam om warmte vast te houden tijdens het vliegen op koelere nachten. Een belangrijk anatomisch kenmerk is de aanwezigheid van fijne haartjes op de samengestelde facetogen. Bij de meeste andere uilensoorten zijn de ogen volledig kaal of alleen aan de randen met wimpers. De voorvleugels zijn relatief kort en breed.

 

Geslacht: Anarta

Spurrie-uil – 2017 (NL)
(NCBI-index: 987454)

Een belangrijk kenmerk van de spurrie-uil (Anarta trifolii) is de duidelijke witte W in de lichte, zwart afgezette golflijn. De grondkleur is bruinachtig, van lichtgrijs tot donkergrijs. De binnenste lob van de vrij grote niervlek is altijd donkerder dan de grondkleur van de vleugel. Het middenveld en de vleugelpunten zijn lichter gekleurd. De vliegperiode is van half april tot half oktober, in twee en soms drie generaties, en de spanwijdte bedraagt 30-35 mm. Waardplant(en): melde, brandnetel, zuring. Engelse benaming: The Nutmeg. Friese benaming: Sparjeûltsje.

Vliegperiode:

 

Geslacht: Anarta

Witringpijluil – 2024 (CH)
(NCBI-index: 987453)

Uilen zijn vaak lastig te determineren. Vaak geven specifieke kenmerken wel een goede richting aan voor het geslacht. De witte golflijn met een W wijst altijd naar het Anarta-geslacht. Voor de witringpijluil (Anarta odontites) was het wel even puzzelen doordat de foto van de eerste waarneming niet echt scherp was. Naast de waardplant waarop ik hem zag zitten is met name de ringvlek kenmerkend. De helderwitte ring met een iets donkerdere kern steekt duidelijk af tegen de lichte strook die vanaf de voorrand naar binnen loopt. De bovenkant van het borststuk is duidelijk behaard met een opvallende witte dwarsstreep dicht bij de kop. De vliegperiode is twee generaties, van april tot eind juli, en de spanwijdte bedraagt 30-34 mm. Waardplant(en): bont kroonkruid, paardenhoefklaver. Engelse benaming: Marbled Nutmeg. Friese benaming:

Vliegperiode:

 

Geslacht: Conisania

Bruine silene-uil – 2025 (IT)
(NCBI-index: 1.858092)

De bruine silene-uil (Conisania luteago) heeft een verspreidingsgebied in West- en Midden-Europa en komt in Noord-Europa zelden voor. In Nederland is deze uil in 2023 voor het eerst waargenomen. Door habitatverlies, verruiging en stikstofdepositie zijn geschikte leefgebieden afgenomen. Hierdoor staat de bruine silene-uil in verschillende landen bekend als zeldzaam of als kwetsbaar. Het behoud van open, schrale, zandige habitats is essentieel voor het voortbestaan van de soort. De bruine silene-uil is te onderscheiden van verwante soorten binnen het geslacht Conisania en gelijkende Noctuinae door de combinatie van een oker- tot geelbruine grondkleur, zwak ontwikkelde ring- en niervlekken en weinig contrasterende dwarslijnen. De achtervleugels zijn lichtgrijs tot crème, met een smalle, donkerder marginale band en lichte franje. Genitaliënonderzoek kan noodzakelijk zijn voor een juiste determinatie bij slijtage of overlap van kleurvariatie. De vliegperiode is één generatie, van mei tot juli, en de spanwijdte bedraagt 30-35 mm. Waardplant(en): duin-alsem. Engelse benaming: Barrett’s Marbled Coronet. Friese benaming:

Vliegperiode:

 

Geslacht: Euplexia

Levervlek – 2020 (NL)
(NCBI-index: 987933)

Net als de agaatvlinder (Phlogophora meticulosa) heeft de levervlek (Euplexia lucipara) een rusthouding waardoor het op een dood blad lijkt. De voorrand van de vleugel wordt onder de rest van de vleugel gevouwen en de vleugelpunt naar beneden. De levervlek is te herkennen aan de witte tot lichtgele niervlek die zich op de grens van de donkere middenband en de brede lichtbruine of rozebruine zone bij de achterrand bevindt. In die brede lichtbruine zone valt de goudgele vlek nabij de niervlek duidelijk op. De spanwijdte bedraagt 27-32 mm en de vliegperiode is van mei tot augustus in één generatie. Waardplant(en): varen, berk. Engelse benaming: Small Angle Shades. Friese benaming: leverflek.

Vliegperiode:

 

Geslacht: Hadena

Witband-silene-uil – 2021 (NL)
(NCBI-index: 987949)

Een minder saai gekleurde en getekende uil is de witband-silene-uil (Hadena compta). De voorvleugels zijn chocoladebruin met zwarte vlekjes en een opvallende witte middenband. De witte middenband loopt vanaf het midden van de voorrand door tot de achterrand, waarbij de witte ringvlek, die deels zwart omlijnd is, wordt ingesloten. De donker omlijnde witte niervlek ligt tegen deze witte middenband aan. De witband-silene-uil is goed te onderscheiden van de gevlekte silene-uil (Hadena confusa) en de witvlek-silene-uil (Hadena albimacula) vanwege de volledige doorlopende witte middenband. De spanwijdte bedraagt 25-30 mm en de vliegperiode duurt in één generatie van mei tot augustus. Waardplant(en): duizendschoon. Engelse benaming: Varied Coronet. Friese benaming:

Vliegperiode:

 

Geslacht: Hadena

Gewone silene-uil – 2023 (NL)
(NCBI-index: 987947)

De gewone silene-uil (Hadena bicruris) heeft overwegend grijsbruine en tamelijk brede voorvleugels. Op de voorvleugel zijn de donkere tapvlek en de langwerpige, wit omlijnde, smalle ring- en niervlek te zien. De ring- en niervlekken lopen richting de achterrand naar elkaar toe en vormen een soort V. De beide vlekken smelten zelden samen. De achtervleugels zijn grijs met een lichtere basis. De ringvlek is tamelijk langgerekt. De vliegperiode is in twee, soms drie generaties, van eind april tot eind september en de spanwijdte bedraagt 30-40 mm. Waardplant(en): dagkoekoeksbloem, duizendschoon. Engelse benaming: The Lychnis. Friese benaming:

Vliegperiode:

 

Geslacht: Hadena

Oorsilene-uil – 2025 (IT)
(NCBI-index: 1.869979)

De oorsilene-uil (Hadena irregularis) is een kleine maar opvallend getekende nachtvlinder die vooral in kalkrijke duinen voorkomt. De voorvleugels zijn warm zandkleurig, met fijne, grillige lijntjes en vaak een lichte, opvallende ringvlek die aan de onderzijde verbonden is met de niervlek. Ondanks zijn bescheiden formaat is het een sierlijke verschijning. In Nederland is de oorsilene-uil tegenwoordig schaars en vooral bekend van de duinen in Noord-Holland. Juist door die afhankelijkheid van specifieke planten en leefgebieden is het een soort die veel vertelt over de kwaliteit van onze duinnatuur. De vliegperiode is één of twee generaties, van begin juni tot begin augustus, en de spanwijdte bedraagt 32-36 mm. Waardplant(en): oorsilene, gipskruid. Engelse benaming: Viper’s Bugloss. Friese benaming:  

Vliegperiode:

 

Geslacht: Hadena

Gevlekte silene-uil – 2025 (IT)
(NCBI-index: 987950)

De gevlekte silene-uil (Hadena confusa) is een nachtvlinder met overwegend zwartachtig grijze voorvleugels, waarop verschillende opvallende witte vlekken zichtbaar zijn. Deze lichte vlekken bevinden zich in de vleugelpunt, in de binnenrandhoek en rondom de duidelijk afgetekende, eveneens witte ringvlek en niervlek. Samen geven zij de vlinder een karakteristiek gevlekt uiterlijk. De witte vlekken rond de ring- en niervlek lopen in elkaar over en vormen een schuin verlopende lichte band. Deze band blijft echter altijd beperkt tot het midden van de voorvleugel en reikt nooit tot de binnenrand. Dit kenmerk helpt om de soort te onderscheiden van de sterk gelijkende witband silene-uil (Hadena compta), waarbij de lichte band doorgaans wel de binnenrand bereikt. De vliegperiode is één generatie, van begin mei tot begin juli, en de spanwijdte bedraagt 34-38 mm. Waardplant(en): silene. Engelse benaming: Marbled Coronet. Friese benaming:

Vliegperiode:

 

Geslacht: Hecatera

Tweekleurige uil – 2025 (NL)
(NCBI-index: 988124)

De tweekleurige uil (Hecatera bicolorata) is vrij gemakkelijk te herkennen. Het donkergrijze of zwartachtige middenveld, met daarin de lichtgekleurde ringvlek en niervlek, steekt duidelijk af tegen de rest van de  witte vleugel. In zeldzame gevallen is de grondkleur van de voorvleugel grijs, waardoor het middenveld minder duidelijk afsteekt. De voorvleugel heeft een witte voorrand. De vliegperiode is één, soms twee, generaties van eind mei tot half september en de spanwijdte bedraagt 30-34 mm. Waardplant(en): havikskruid, streepzaad, melkdistel. Engelse benaming: Broad-barred White. Friese benaming:

Vliegperiode:

 

Geslacht: Lacanobia

Groente-uil – 2018 (NL)
(NCBI-index: 79499)

Een nachtvlinder die ik wat vaker op websites van insectenbestrijding tegenkom is de groente-uil (Lacanobia oleracea). Dit heeft te maken met het leggen van hun eitjes op gewassen die in kassen worden gekweekt. Deze roestbruine uil heeft een wit geringde ringvlek en een oranjegele vlek in de donkere niervlek. Kenmerkend is de duidelijke witte golflijn met de ‘W’ erin. De vliegperiode is van april tot oktober in twee, en soms drie, generaties, en de spanwijdte bedraagt 28-38 mm. Waardplant(en): brandnetel, sintjanskruid, hazelaar, wilg en hop. Engelse benaming: Bright-line Brown-eye. Friese benaming: grienteûltsje.

Vliegperiode:

 

Geslacht: Lacanobia

Variabele w-uil – 2021 (NL)
(NCBI-index: 987966)

Het meest opvallende aan de voorvleugel van de variabele w-uil (Lacanobia suasa) is de zwartachtige, opgevulde korte tapvlek, die opvalt als een massieve donkere vlek. Het binnenste deel van de niervlek en het middenveld dat daaromheen ligt zijn vaak donker gekleurd. De variabele w-uil komt in twee kleurvariaties voor: grijsachtig bruin met een zandkleurige bestuiving en gelijkmatig grijsachtig donkerbruin waarop alleen de tapvlek, de witachtige W in de golflijn bij de achterrand en de zwarte streep in de vleugelwortel te zien zijn. De vliegperiode is in twee generaties van april tot in oktober en de spanwijdte bedraagt 32-37 mm. Waardplant(en): lamsoor, zuring, zulte, weegbree en ganzenvoet. Engelse benaming: Dog’s Tooth. Friese benaming:

Vliegperiode:

 

Geslacht: Lacanobia

W-uil – 2025 (IT)
(NCBI-index: 987967)

De voorvleugel van de w-uil (Lacanobia thalassina) is relatief breed en heeft een licht gebogen voorrand. De bovenzijde is warm roodbruin van kleur, vaak met fijne lichtbruine tot witachtige spikkels. Zoals bij meerdere Lacanobia-soorten bevindt zich in het wortelveld een lichte vlek. Bij sommige vrouwtjes, die soms aanzienlijk donkerder zijn, valt deze vlek minder op. In het middenveld is de binnenrand van de langgerekte tapvlek meestal zichtbaar als een brede zwarte balk die de binnenste en buitenste dwarslijnen met elkaar verbindt. De buitenrand van de tapvlek verschijnt vaak als een smallere vertakking van deze zwarte balk. In het zoomveld vormt de lichte buitenste dwarslijn een kenmerkende ‘W’-vorm. De vliegperiode is twee generaties, van eind mei tot begin september, en de spanwijdte bedraagt 36-38 mm. Waardplant(en): eik, berk, meidoorn. Engelse benaming: Pale-shouldered Brocade. Friese benaming: w-ûltsje.

Vliegperiode:

 

Geslacht: Lacanobia

Brede w-uil – 2025 (IT)
(NCBI-index: 987426)

Deze uil is goed te onderscheiden van de andere Lacanobia soorten. De brede w-uil (Lacanobia w-latinum) is niet alleen groter qua afmeting, maar ook de scherp begrensde tekening op de voorvleugel en de grof geschulpte buitenste dwarslijn zijn kenmerkend. Tussen de niervlek en de golflijn ligt een egale lichtgrijze zone. Er is weinig variatie in kleur en tekening, maar soms komen exemplaren voor met een paarsachtige tint. De vliegperiode is één generatie, van eind april tot eind juli, en de spanwijdte bedraagt 38-40 mm. Waardplant(en): brem, zuring, braam. Engelse benaming: Light Brocade. Friese benaming:

Vliegperiode:

 

Geslacht: Leucania

Komma-uil – 2019 (NL)
(NCBI-index: 987968)

Een stevig  gebouwde uil met een grijsachtig bruine of dof strokleurige voorvleugel met witte aders is de komma-uil (Leucania comma). De witte hoofdader eindigt midden op de voorvleugel in een verdikking die grofweg de vorm van een komma heeft. Opvallend is de diepzwarte schouderstreep die vanuit de vleugelwortel langs de witte hoofdader naar het middenveld loopt. Ook de diverse zwartachtige strepen in het zoomveld en de lichte strook langs de voorrand vallen op. Er is weinig variatie in kleur en tekening. De achtervleugel is bruin. De vliegperiode is van half mei tot eind juli in één generatie, en soms ook een tweede generatie van half september tot half oktober. De spanwijdte bedraagt 32-37 mm. Waardplant(en): diverse grassen. Engelse benaming: Shoulder-striped Wainscot. Friese benaming: kommaûltsje.

Vliegperiode:

 

Geslacht: Mamestra

Kooluil – 2014 (NL)
(NCBI-index: 55057)

De kooluil (Mamestra brassicae) heeft een opvallende witte omtrek van de niervlek. De buitenste dwarslijn is gegolfd, waarbij de binnenrand ook wit is. De grondkleur van de bovenkant van de voorvleugel is verder donkergrijsbruin. De kooluil vliegt in twee generaties van april tot in oktober en de spanwijdte bedraagt 37-45 mm. Waardplant(en): kool, wilg, eik. Engelse benaming: Cabbage Moth. Friese benaming: koalûltsje.

Vliegperiode:

 

Geslacht: Melanchra

Perzikkruiduil – 2017 (NL)
(NCBI-index: 987979)

De perzikkruiduil (Melanchra persicariae) heeft een zwarte voorvleugel met een opvallende witte niervlek. In de niervlek is een grijs halfmaantje te zien. Langs de voorrand zijn vaak de witte golflijn en enkel witte vlekjes te zien. Op het borststuk is vaak een klein bosje roodbruine haren te zien. Deze uil vliegt in één generatie van mei tot september en heeft een spanwijdte van 32-42 mm. Waardplant(en): brandnetel, hop, akkerwinde, zuring, klaver, wilg, klimop, hazelaar. Engelse benaming: Dot. Friese benaming: bultrûpûltsje.

Vliegperiode:

 

Geslacht: Mythimna

Spitsvleugelgrasuil – 2017 (NL)
(NCBI-index: 987989)

De spitsvleugelgrasuil (Mythimna straminea) heeft, in tegenstelling tot zijn soortgenoten, een voorvleugel met een rechte achterrand. De bovenkant van de voorvleugel is licht geelwit met een licht rozeachtige tint. Er loopt een bruine streep langs de hoofdader. De achtervleugel is wit met donkere aders en grijze spikkels. De gelijkende stompvleugelgrasuil (Mythimna impura) heeft meer afgeronde vleugels en mist de grijze horizontale streep over de kraag, die bij het vooraanzicht uniek is voor de spitsvleugelgrasuil. Deze grasuil vliegt in één generatie, van juni tot september, en heeft een spanwijdte van 32-40 mm. Waardplant(en): riet, rietgras. Engelse benaming: Southern Wainscot. Friese benaming: skerpwjukgersûltsje.

Vliegperiode:

 

Geslacht: Mythimna

Bleke grasuil – 2017 (NL)
(NCBI-index: 987986)

De bleke grasuil (Mythimna pallens) heeft een voorvleugel met een lichtgele tot bruinachtige bovenkant. Soms zijn bruine strepen zichtbaar. De bleke grasuil heeft verder geen duidelijke tekening, behalve de witte aders. De bovenkant van de achtervleugel is wit. De gelijkende stompvleugelgrasuil (Mythimna impura) is vaak donkerder van kleur en heeft een donkergrijze achtervleugel. Deze grasuil vliegt in twee generaties van mei tot in oktober en heeft een spanwijdte van 30-35 mm. Ondanks dat het een nachtvlinder is, kom je ze ook wel overdag tegen terwijl ze zitten te rusten in het lange gras. Waardplant(en): smele, kropaar. Engelse benaming: Common Wainscot. Friese benaming: bleek gersûltsje.

Vliegperiode:

 

Geslacht: Mythimna

Witstipgrasuil – 2018 (NL)
(NCBI-index: 987983)

Zo aan het begin van de herfst toch nog wat nieuwe soorten gelokt. Zo ook de witstipgrasuil (Mythimna albipuncta). Dit is een uil met een warm oranjebruine grondkleur met daarop een scherp afstekende ronde witte vlek die deel uitmaakt van de overigens niet of nauwelijks zichtbare niervlek. De achtervleugel is rookgrijs en het mannetje heeft een zwarte band aan de basis van de onderzijde van het achterlijf. De vliegperiode is van april tot begin november, in twee, soms drie generaties, en de spanwijdte bedraagt 30-35 mm. Waardplant(en): diverse grassen. Engelse benaming: White-point. Friese benaming:

Vliegperiode:

 

Geslacht: Mythimna

Stompvleugelgrasuil – 2020 (NL)
(NCBI-index: 987985)

Een grasuil die lastig op naam gebracht kan worden is de stompvleugelgrasuil (Mythimna impura). De voorvleugel is, in tegenstelling tot die van zijn soortgenoten, redelijk afgerond. Kenmerkend is de opvallende bruine of zwarte streep langs de witachtige hoofdader op de voorvleugel die geelachtig van kleur is. Langs de hoofdader zijn twee zwarte stipjes te zien die samen met het zwarte stipje bij de achterrand een driehoek vormen. De gestreepte onderkant van de voorvleugel is zwart gespikkeld en de bovenkant van de achtervleugel is vaak donkergrijs. De gelijkende bleke grasuil (Mythimna pallens) is vaak lichter van kleur en heeft een witte achtervleugel. De gelijkende spitsvleugelgrasuil (Mythimna straminea) heeft een voorvleugel met een rechte achterrand die vlak voor de vleugelpunt licht naar buiten buigt. Verder heeft deze grasuil een smalle grijze lijn over de kraag die te zien is bij het vooraanzicht. De spanwijdte bedraagt 31-38 mm en de vliegperiode is van mei tot september in één generatie. Waardplant(en): kropaar, riet. Engelse benaming: Smoky Wainscot. Friese benaming: stompwjukgersûltsje.

Vliegperiode:

 

Geslacht: Mythimna

Gekraagde grasuil – 2020 (NL)
(NCBI-index: 997540)

De gekraagde grasuil (Mythimna ferrago) heeft een opvallende witte vlek in de niervlek. Deze vaalwitte vlek is druppelvormig, wat de gekraagde grasuil onderscheidt van de witstipgrasuil (Mythimna albipuncta). Bij de witstipgrasuil is deze vlek veel witter en rond van vorm. De gekraagde grasuil is tevens groter dan de witstipgrasuil en heeft een bredere voorvleugel. De bovenkant van de voorvleugel is geelbruin tot lichtroodbruin en de gebogen buitenste dwarslijn is zichtbaar als een rij zwarte stippen. Bij de witstipgrasuil is dat eerder een lichte band. De achtervleugel is donkergrijs. De mannetjes hebben op de onderkant van het achterlijf een zwarte driehoek of chevron (zie de rode pijl). De spanwijdte bedraagt 35-40 mm en de vliegperiode loopt van juni tot september in één generatie. Waardplant(en): kropaar, beemdgras, paardenbloem, weegbree. Engelse benaming: The Clay. Friese benaming:

Vliegperiode:

 

Geslacht: Panolis

Dennenuil – 2019 (NL)
(NCBI-index: 988141)

Het is lang koud in 2019 en duurt tot ver in april voordat de eerste nachtvlinders op het doek verschijnen. De eerste nieuwe soort is de dennenuil (Panolis flammea). Een uil, herkenbaar aan de opvallend lichte, scherp afgetekende en karakteristiek gevormde niervlek. De niervlek is langgerekt, gebogen en strekt zich uit in de richting van de vleugelpunt. De puntige voorvleugel heeft een oranjebruine, roodachtig bruine of steenrode kleur. Sommige exemplaren zijn juist groenachtig grijs. In rusthouding houdt deze uil de vleugels in een dakvorm. De vliegperiode is van maart tot begin juni in één generatie en de spanwijdte bedraagt 30-33 mm. Waardplant(en): naaldbomen. Engelse benaming: Pine Beauty. Friese benaming: dinneûltsje.

Vliegperiode:

 

Geslacht: Phlogophora

Agaatvlinder – 2016 (NL)
(NCBI-index: 875884)

De agaatvlinder (Phlogophora meticulosa) rust overdag op muren of paaltjes. Het exemplaar dat ik voor het eerst gespot heb, schoof aan op ons tafeltje toen we ’s ochtends een kop koffie op het terras nuttigden. Verse vlinders hebben een olijfgroene kleur en de vleugels zijn in rusthouding sterk geplooid, waarbij de voorrand diep naar achteren is gebogen. Op de voorvleugels zijn drie aaneengesloten, in rusthouding V-vormige, gekleurde zones te herkennen. De agaatvlinder vliegt in twee generaties van mei tot oktober en heeft een spanwijdte van 42-50 mm. Waardplant(en): zuurbes, brandnetel, hop, spoorbloem, zuring, braam, hazelaar, berk, eik. Engelse benaming: Angle Shades. Friese benaming: agaatflinter.

Vliegperiode:

 

Geslacht: Polia

Marmeruil – 2025 (IT)
(NCBI-index: 988024)

In Nederland is de marmeruil (Polia nebulosa) een vrij zeldzame verschijning. Ik zag deze uil voor het eerst tijdens mijn reis naar de Maritieme Alpen. De voorvleugel van deze licht- tot donkergrijze soort valt op door de sterk gebogen voorrand bij de vleugelpunt. De ringvlek en niervlek zijn groot, licht van kleur en duidelijk donker omlijnd, terwijl de afgeronde tapvlek vaak iets donkerder is. Langs de binnenzijde van de golflijn zijn zwarte pijlvlekken te zien: de op één na grootste bevindt zich halverwege de vleugel, en de grootste ligt bij de binnenrandhoek. De vliegperiode is één generatie, van half mei tot half augustus, en de spanwijdte bedraagt 46-52 mm. Waardplant(en): zuring, braam, kamperfoelie. Engelse benaming: Grey Arches. Friese benaming: moarmerûltsje.

Vliegperiode:

 

Geslacht: Tholera

Gelijnde grasuil – 2018 (NL)
(NCBI-index: 988041)

Bij het controleren van de lichtbak waar ik nachtvlinders mee had gelokt, was ik erg enthousiast over het aantreffen van de gelijnde grasuil (Tholera decimalis). De schitterende tekening van geelachtige, witte aders op de voorvleugel laat zien hoe mooi nachtvlinders eigenlijk kunnen zijn. Aan de binnenzijde van de lichtgekleurde golflijn bevinden zich zwarte pijlvlekken. De dwarslijnen zijn donker en onopvallend. Het mannetje is stevig gebouwd en heeft een brede voorvleugel met een rechte voorrand. Het vrouwtje heeft een nog bredere voorvleugel waarvan de voorrand recht of enigszins gebogen is. De vliegperiode is van begin augustus tot eind september in één generatie en de spanwijdte bedraagt 32-45 mm. Waardplant(en): diverse harde grassen. Engelse benaming: Feathered Gotic. Friese benaming:

Vliegperiode: