De dikkopjes (Hesperiidae) zijn kleine vlinders met, zoals de naam zegt, een dikke kop. Ze bezitten nog verscheidene andere kenmerken waardoor ze worden beschouwd als een meer primitieve groep vlinders, die verwant is aan enkele nachtvlinderfamilies. Een van die kenmerken is de manier waarop ze in rust vaak met de vleugels vlak uitgespreid zitten. Bij sommige soorten rusten de volwassen vlinders met hun voor- en achtervleugels in verschillende vlakken ten opzichte van elkaar. Dit zie je niet bij andere families. De bekendste drie onderfamilies zijn de grasdikkopjes (Hesperiinae), de gevlekte dikkopjes (Heteropterinae) en de spikkeldikkopjes (Pyrginae). In de tropische omgeving heb je ook nog staartdikkopjes (Eudaminae). Dikkopjes bezitten stevige sprieten met verdikte uiteinden en opvallend is dat de uiteinden geknikt op de steel staan. Verder zijn ze uitgerust met een opvallend lange roltong. Enkele soorten hebben ‘staarten’ aan de achtervleugels.
Onderfamilie: Eudaminae
Stam: Eudamini
Geslacht: Urbanus
Gewone langstaart – 2017 (CO)
(NCBI-index: 355208)
De gewone langstaart (Urbanus simplicius) behoort tot een onderfamilie van de Pyrginae, de Eudamini (langstaarten). Ze komen voor in (sub)tropische gebieden en dan vaak langs wegen in het bos op hoogtes van zeeniveau tot 1500 meter. Deze gewone langstaart heb ik dan ook gespot in Bogotá (Colombia) op een bergpad, gebruikt als bedevaartsweg, naar de kerk op Monserrate. De vlinder heeft in rusttoestand zijn vleugels gespreid, is geheel bruin en heeft een opvallende “geveerde” staart. Bij de voorrand zit soms een kleine dunne crème-kleurige streep. Op de onderkant van de lichtbruine vleugels zijn twee brede, donkere en grillig gelijnde dwarsbanden te zien. De spanwijdte bedraagt 38-50 mm. Waardplant(en): kruiden en grassen uit de vlinderbloemfamilie. Engelse benaming: Plain Longtail. Friese benaming: Gewoane langsturt.
Onderfamilie: Eudaminae
Stam: Eudamini
Geslacht: Urbanus
Langstaartdikkopje – 2017 (CO)
(NCBI-index: 355207)
Het langstaartdikkopje (Urbanus proteus) is een dikkopje dat een direct familielid is van de gewone langstaart. Dit dikkopje komt voor in het subtropische gebied van Amerika. Ik heb deze vlinder in Medellín (Colombia) gespot. Het langstaartdikkopje heeft zowel op de boven- als op de onderkant van de vleugels crème-kleurige vlekjes. Het meest opvallend is de blauwgroene kleur op de bovenkant van het lijf. Het verschil met de Urbanus dorantes, die de blauwgroene kleur niet heeft maar verder op het langstaartdikkopje lijkt, is de zwarte ononderbroken band op de onderkant van de achtervleugel. De antennes van het langstaartdikkopje hebben niet echt een knop aan het uiteinde. Je kunt heel mooi de iets verdikte gekromde haak zien. Waardplant(en): kruiden uit de vlinderbloemfamilie, erwten, bonen, soja. Engelse benaming: Longtail Skipper. Friese benaming: Langsturtgroukopke.
Onderfamilie: Hesperiinae
Stam: Baorini
Geslacht: Pelopidas
Gierstdikkopje – 2026 (TR)
(NCBI-index: 509316)
Een groot, donkerbruin dikkopje dat voorkomt in de landen rond de Egeïsche Zee. Op het eerste gezicht lijkt het gierstdikkopje (Pelopidas thrax) op het groot kustdikkopje (Gegenes nostrodamus) en het klein kustdikkopje (Gegenes pumilio), maar hij is duidelijk groter en robuuster. Bovendien vallen de opvallende witte vlekken van verschillende grootte op de boven- en onderzijde van de vleugels direct op. De bovenzijde van het mannetje is olijfbruin. De voorvleugel draagt twee kleine geelachtige, halfdoorzichtige vlekjes aan het uiteinde van de middencel, drie vlekken vóór de vleugelpunt en drie schuin geplaatste vlekken. Daarachter bevindt zich een smalle, rechte geurstreep met een donkere omranding. Op de achtervleugel zijn één of twee zeer vage, bleke vlekken zichtbaar. Het vrouwtje heeft vijf vlekken op de voorvleugel en vier tot vijf op de achtervleugel. De onderzijde van beide geslachten is lichter van kleur, waardoor de vleugeltekening duidelijker zichtbaar is. Daarnaast bevindt zich op de achtervleugel een extra vlek aan het bovenste uiteinde van de middencel. De soort vliegt in twee generaties per jaar: van mei tot en met juli en opnieuw van september tot half oktober. De spanwijdte bedraagt 42 tot 51 mm. Waardplant: diverse grassoorten. Engelse benaming: Millet Skipper. Friese benaming: –
Vliegperiode:

Onderfamilie: Hesperiinae
Stam: Erionotini
Geslacht: Suastus
Palmdikkopje – 2022 (INA)
(NCBI-index: 218763)
Het palmdikkopje (Suastus gremius) komt veel voor in Indonesië. Waarnemingen komen vrij vaak voor in natuurreservaten en in stadsparken en tuinen. Tijdens mijn reis naar Bali zag ik deze soort voor het eerst in Beraban. De volwassen exemplaren zijn snelle vliegers en schichtig als ze gestoord worden. Ze bezoeken bloemen, zonnen bij zonnig weer en nestelen zich op de uitwerpselen van vogels. De bovenzijde van de vleugels is bruin en bij de voorvleugel versierd met lichtgele vlekken in de celuiteinde en in de ruimtes 1b, 2, 3, 6, 7 en 8. De bovenzijde van de achtervleugel is ongemarkeerd. De gescheurde cilia zijn witachtig. De onderzijde van de vleugels is grijsbruin en de achtervleugel is bedekt met bleekgele schubben en voorzien van een aantal redelijk grote, goed gedefinieerde zwarte vlekken. De spanwijdte bedraagt 33-35 mm. Waardplant(en): palmboom. Engelse benaming: Palm Bob. Friese benaming: –
Onderfamilie: Hesperiinae
Stam: Hesperiini
Geslacht: Hesperia
Kommavlinder – 2024 (CH)
(NCBI-index: 291688)
De onderkant van de achtervleugel van de kommavlinder (Hesperia comma) is grijsgroen met enkele opvallende witte vlekjes. Vooral de zilverwitte vlekjes op de onderkant van de achtervleugel zijn onderscheidend. De wat grotere vlek bij het lichaam (de ‘komma’ waaraan deze soort zijn naam dankt) is kenmerkend. Het mannetje van de kommavlinder heeft op de bovenkant van de voorvleugel een duidelijke, dikke geurstreep, veroorzaakt door gespecialiseerde zwarte geurschubben. De vliegperiode is één generatie, van eind juni tot half september, en de spanwijdte bedraagt 29-34 mm. Waardplant(en): kweek, schapengras, gestreepte witbol. Engelse benaming: Silver-spotted Skipper. Friese benaming: Kommaflinter.
Vliegperiode:

Onderfamilie: Hesperiinae
Stam: Hesperiini
Geslacht: Lerema
Gevlekt dikkopje – 2017 (CO)
(NCBI-index: 691651)
Een dikkopje dat ook witte vlekjes op de vleugels heeft, zoals het langstaartdikkopje (Urbanus proteus), is het gevlekt dikkopje (Lerema accasius). Echter de lange staart ontbreekt. Het gevlekt dikkopje, gespot in Medellín (Colombia), heeft donkerbruine vleugels waarbij het mannetje een donkerzwarte streep op de bovenkant van de voorvleugel heeft en het vrouwtje transparante witte vlekken heeft. De onderkant van de achtervleugel heeft donkere en lichte vlekken en een blauwgroene gloed. De vliegperiode is het hele jaar door. Waardplant(en): naaldenkervel, gewone brunel, ijzerhard. Engelse benaming: Clouded Skipper. Friese benaming: –
Vliegperiode:

Onderfamilie: Hesperiinae
Stam: Hesperiini
Geslacht: Ochlodes
Groot dikkopje – 2016 (NL)
(NCBI-index: 876063)
Het groot dikkopje (Ochlodes sylvanus) is een dagvlinder die van begin juni tot september in één generatie rondvliegt. De mannetjes zijn vaak te vinden op een zonnige plek waar ze wachten op de vrouwtjes. De vlinder is goed te determineren, waarbij de haakjes aan de antennepunten goed opvallen en bij de geelspriet- en zwartsprietdikkopjes ontbreken. De mannetjes hebben een dikke zwarte geurstreep door het midden van de voorvleugel. Op beide kanten van de vleugels is een geblokt patroon te zien dat bij het geelsprietdikkopje en het zwartsprietdikkopje niet voorkomt. De spanwijdte is 33-35 mm. Waardplant(en): zwenk- en beemdgras, kweekgras en pijpenstrootje. Engelse benaming: Large Skipper. Friese benaming: Foars groukopke.
Vliegperiode:

Onderfamilie: Hesperiinae
Stam: Hesperiini
Geslacht: Thymelicus
Geelsprietdikkopje – 2008 (NL)
(NCBI-index: 272628)
Het geelsprietdikkopje (Thymelicus sylvestris) is een dagvlinder die van mei tot augustus in één generatie vliegt. De vlinder is erg moeilijk te determineren en wordt vaak verward met het zwartsprietdikkopje. De onderkant van de antennepunt is oranje; dit kun je het best vanaf de voorkant zien, en de zwarte rand op de vleugels is scherp afgetekend. De spanwijdte bedraagt 30 mm. Waardplant(en): geknikte vossestaart, timoteegras en pijpenstrootje. Engelse benaming: Small Skipper. Friese benaming: Gielteistergroukopke.
Vliegperiode:

Onderfamilie: Hesperiinae
Stam: Hesperiini
Geslacht: Thymelicus
Zwartsprietdikkopje – 2009 (NL)
(NCBI-index: 218773)
Het zwartsprietdikkopje (Thymelicus lineola) is een dagvlinder die van eind juni tot eind augustus in één generatie vliegt. De vlinder is redelijk eenvoudig te determineren, maar er moet wel op gelijksoortige dikkopjes worden gelet. De onderkant van de antennepunt is zwart en de zwarte rand op de vleugels zie je langs de aders doorgaan. De oranjebruine vleugels worden zo gehouden dat de voorvleugel scheef boven de achtervleugel staat. De mannetjes hebben een dunne zwarte lijn midden over de voorvleugel, maar deze is korter dan bij het geelsprietdikkopje (Thymelicus sylvestris) en buigt niet af naar de voorrand van de vleugel. De vliegperiode is één generatie, van mei tot in augustus, en de spanwijdte bedraagt 27-30 mm. Waardplant(en): kropaar, timoteegras en kweek. Engelse benaming: Essex Skipper. Friese benaming: Swartteistergroukopke.
Vliegperiode:

Onderfamilie: Hesperiinae
Stam: Hesperiini
Geslacht: Thymelicus
Dwergdikkopje – 2025 (FR)
(NCBI-index: 876078)
In Nederland staat het dwergdikkopje (Thymelicus acteon) op de Rode Lijst. In het begin van de 20e eeuw kwam hij nog wel voor op de kalkgraslanden en dan met name in de ruige gedeelten. In een groot deel van Midden- en Zuid-Europa vliegt hij nog volop rond. Er is een grote gelijkenis met het geelsprietdikkopje (Thymelicus sylvestris) en het zwartsprietdikkopje (Thymelicus lineola). Het dwergdikkopje is in de eerste plaats een stuk kleiner. Daarnaast heeft de wat grijzere voorvleugel een serie gele vlekken die in een boog op het postdiscale deel (c3-c9) liggen. Het mannetje heeft een lange uniforme zwarte geurstreep en het vrouwtje is vaak wat donkerder gekleurd. De vliegperiode is één generatie, van half mei tot in augustus, en de spanwijdte bedraagt 10-13 mm. Waardplant(en): gevinde kortsteel, boskortsteel, kropaar. Engelse benaming: Lulworth Skipper. Friese benaming: –
Vliegperiode:

Onderfamilie: Hesperiinae
Stam: Hesperiini
Geslacht: Thymelicus
Turks geelsprietdikkopje – 2026 (TR)
(NCBI-index: 2.828949)
Een erg lokaal en moeilijk te vinden soort. Het verspreidingsgebied ligt vooral in Griekenland, de Egeïsche eilanden en Turkije. Het Turks geelsprietdikkopje (Thymelicus hyrax) is een beetje groter dan het gelijkende geelsprietdikkopje (Thymelicus sylvestris) en het zwartsprietdikkopje (Thymelicus lineola). Karakteristiek is de helderoranje rechthoekige vlek die prominent op de bovenkant van de voorvleugel zichtbaar is. Bij het mannetje is de zwarte geurstreep onderbroken door ader 2. Ten opzichte van zijn gelijkende soortgenoten is de onderkant van de achtervleugel meer groenachtig. De vliegperiode is in één generatie van eind april tot eind juni en de spanwijdte bedraagt 26-32 mm. Waardplant(en): tijm. Engelse benaming: Levantine Skipper. Friese benaming: Turks gielteistergroukopke.
Vliegperiode:

Onderfamilie: Heteropterinae
Geslacht: Carterocephalus
Bont dikkopje – 2023 (BE)
(NCBI-index: 218720)
Het bont dikkopje (Carterocephalus palaemon) is een opvallende vlinder met veel gele markeringen. De bovenkant van de bruine voorvleugel bevat juist vele grotere gele vlekken die gescheiden worden door bruine aders, terwijl op de bovenkant van de achtervleugel de vlekken kleiner en minder aanwezig zijn. De onderkant van de voorvleugel is oranje met bruine vlekken. De onderkant van de achtervleugel is geel met een aantal grotere, opvallende lichtgele, zwartomrande vlekken en langs de achterrand wat kleinere lichtgele, zwartomrande vlekken die mooi op een rij liggen. De basis van de antenneknop is aan de onderkant donker bij het mannetje en geel bij het vrouwtje. De vliegperiode is in één generatie van half mei tot eind juni en de spanwijdte bedraagt 29-31 mm. Waardplant(en): pijpenstrooitje en hennegras. Engelse benaming: Chequered Skipper. Friese benaming: bûnt groukopke.
Vliegperiode:

Onderfamilie: Pyrginae
Geslacht: Erynnis
Bruin dikkopje – 2024 (CH)
(NCBI-index: 520884)
Er zijn drie redenen waarom het bruin dikkopje (Erynnis tages) nauwelijks nog in Nederland voorkomt. Door verrijking van de meststoffen groeit de vegetatie in het leefgebied dicht, in leefgebieden wordt te intensief gemaaid waardoor rupsen geen kans maken en de leefgebieden worden te klein voor uitwisseling met andere populaties. Hij vliegt erg snel en schiet laag over het gras en de droge grond. Hij kan territoriaal zijn, maar de territoria zijn klein en er zijn vaak buren, wat vaak tot gevechten leidt. Ondanks zijn naam laat een net uitgekomen bruin dikkopje een subtiel patroon van bruin en grijs zien dat er prachtig uitziet. Uniek zijn de rijen witte vlekjes langs de vleugelranden op de bovenkant van de voor- en achtervleugels. De onderkant van de vleugels is bruin met in het buitenste deel van de vleugel meerdere kleine witte vlekjes. Deze vlinder doet zijn naam echter eer aan, want na verloop van tijd gaan de schubben verloren, wat resulteert in een doffe, saaie bruine verschijning. De vliegperiode is in één generatie van mei tot half juni, en soms ook een tweede generatie van half juli tot half augustus. De spanwijdte bedraagt 27-34 mm. Waardplant(en): gewone rolklaver. Engelse benaming: Dingy Skipper. Friese benaming: brún groukopke.
Vliegperiode:

Onderfamilie: Pyrginae
Geslacht: Muschampia
Ondergeslacht: Reverdinus
Pluimdikkopje – 2025 (IT)
(NCBI-index: 2.705572)
Het pluimdikkopje (Muschampia floccifera) lijkt op het oostelijk andoorndikkopje (Carcharodus orientalis), maar is vaak groter. De bovenkant van de vleugels heeft als grondkleur donkergrijs, net als de bovenkant van de achtervleugel. Vaak zie je bij verse exemplaren blauwe of violette tinten. In de discale zone, aan de bovenzijde van de achtervleugel, bevinden zich witte vlekken. Bij mannetjes bevindt zich een donkere haarpluim aan de onderkant van de voorvleugel. De witte middenvlek en lichte streep in cel c4 op de onderkant van de achtervleugel zijn onderscheidend. De vliegperiode is twee generaties, van eind mei tot half augustus, en de spanwijdte bedraagt 32-35 mm. Waardplant(en): betonie. Engelse benaming: Tufted Skipper. Friese benaming: –
Vliegperiode:

Onderfamilie: Pyrginae
Geslacht: Muschampia
Ondergeslacht: Reverdinus
Andoorndikkopje – 2025 (IT)
(NCBI-index: 2.705573)
Bij beide geslachten van het andoorndikkopje (Muschampia lavatherae) is de bovenkant groenachtig of geelachtig-bruin, met een donkerdere marmering. De bovenste binnenrand van de voorvleugel is opvallend bruin of dof oranje. De bovenkant van de achtervleugel is donkerder dan die van de voorvleugel en heeft opvallende witte discale vlekken en ingedeukte gele vlekken in het postdiscale deel. De onderkant van de achtervleugel is witachtig, meestal met een crèmegele tint, en de vlekken zijn vaag. Op de onderkant van de voorvleugel van het mannetje ontbreekt het haardosje. De vliegperiode is één generatie, van half mei tot eind juli, en de spanwijdte bedraagt 28-34 mm. Waardplant(en): bergandoorn, akkerandoorn. Engelse benaming: Marbled Skipper. Friese benaming: –
Vliegperiode:

Onderfamilie: Pyrginae
Geslacht: Pyrgus
Bretons spikkeldikkopje – 2023 (DE)
(NCBI-index: 876069)
In Nederland kom je het Bretons spikkeldikkopje (Pyrgus armoricanus) niet tegen, maar in Duitsland heeft deze vlinder zich het laatste decennium behoorlijk uitgebreid. Tijdens een vlinderreis moest vanwege een wegafzetting een andere route worden gekozen. Daarbij werd een mooi veldje met kruidige gewassen gepasseerd waarbij gekozen werd even te kijken of er bijzondere soorten aanwezig waren. Dit leverde dit mooie spikkeldikkopje op dat gemakkelijk verward kan worden met het kalkgraslanddikkopje (Spialia sertorius) en de aardbeivlinder (Pyrgus malvae). De vlekken op de bovenkant van de voorvleugel van het Bretons spikkeldikkopje zijn enigszins afstekend en vertonen een ongeordend patroon. Er liggen geen vlekken langs de achterrand. Op de bovenkant van de achtervleugel bevinden zich altijd twee rijen diffuse, bruingrijze vlekken die meestal goed opvallen. De onderkant van de achtervleugel is groenachtig of bruinachtig. De witte middenband is vrijwel volledig en heeft dicht bij de binnenrand van de vleugel een zeer kleine en daarna een grote, bijna ronde witte vlek. Het kalkgraslanddikkopje en de aardbeivlinder zijn meestal iets kleiner. De aardbeivlinder heeft langs de achterrand van de bovenkant van de voorvleugel een rij kleine, ongeordende grijze vlekken. De vliegperiode is meestal in twee generaties, van mei tot eind augustus, en de spanwijdte bedraagt 24-28 mm. Waardplant(en): voorjaarsganzerik en vijfvingerkruid. Engelse benaming: Oberthür’s Grizzled Skipper. Friese benaming: –
Vliegperiode:

Onderfamilie: Pyrginae
Geslacht: Pyrgus
Aardbeivlinder – 2023 (DE)
(NCBI-index: 218760)
De bovenkant van de vleugels van de aardbeivlinder (Pyrgus malvae) is donkerbruin met veel scherp afgezette, witte vlekken. Langs de achterrand van zowel de voor- als de achtervleugel bevindt zich een rij kleine, grijze vlekken. Het meest opvallende kenmerk is een scherpe, witte, vierkante vlek met een driehoekige insnijding op de bovenkant van de achtervleugel. De onderkant van de achtervleugel is geelgroen of roodbruin, waarbij de grote witte vlekken in een rij staan maar geen aaneengesloten band vormen. De lichte discale vlek in cel c2 en c3 zijn gereduceerd of zelfs afwezig. De vliegperiode is in één generatie van mei tot begin juli en de spanwijdte bedraagt 20-24 mm. Waardplant(en): tormentil en dauwbraam. Engelse benaming: Grizzled Skipper. Friese benaming: Ierdbeiflinter.
Vliegperiode:

Onderfamilie: Pyrginae
Geslacht: Pyrgus
Groot spikkeldikkopje – 2024 (CH)
(NCBI-index: 876067)
De vlekken op de bovenkant van de donkerbruine voorvleugel van het groot spikkeldikkopje (Pyrgus alveus) zijn over het algemeen klein en de markeringen op de bovenkant van de achtervleugel zijn vrij diffuus en onduidelijk. De schijfvormige zone aan de onderkant van de olijfgroene grijze achtervleugel heeft een groot wit blok, ongeveer rechthoekig van vorm. De vleugels zijn omrand met een zwart-witgeblokte franje. De vliegperiode is één generatie van eind juni tot half augustus, afhankelijk van plaats en hoogte. De spanwijdte bedraagt 25-30 mm. Waardplant(en): aardbeiganzerik, geel zonneroosje. Engelse benaming: Large Grizzled Skipper. Friese benaming: –
Vliegperiode:

Onderfamilie: Pyrginae
Geslacht: Pyrgus
Frans spikkeldikkopje – 2025 (IT)
(NCBI-index: 1.678389)
Het Frans spikkeldikkopje (Pyrgus bellieri) is een kleine, gedrongen dagvlinder die sterk lijkt op het Bretons spikkeldikkopje (Pyrgus armoricanus) en de aardbeivlinder (Pyrgus malvae), maar met zorgvuldige observatie kan worden onderscheiden door subtiele verschillen in tekening, vleugelvorm, leefgebied en gedrag. Een belangrijk kenmerk is de onderkant van het achterlijf bij het mannetje. Deze is bedekt met een bos lange witte haren. De onderkant van de achtervleugel is duidelijk licht olijfkleurig, met grote witte vlekken en een gebroken, gebogen middenband. Bij het Bretons spikkeldikkopje is dit meer grijsbruin, met heldere witte vlekken maar minder contrastrijk, en bij de aardbeivlinder donkerder grijsgroen, zonder duidelijke band. De bovenkant van de voorvleugel heeft witte vlekken die vaak groot en vierkant zijn, vooral de centrale vlek. Bij het Bretons spikkeldikkopje zijn deze vaak scherper maar kleiner, en bij de aardbeivlinder zijn ze kleiner en dichter bij elkaar. De soort verkiest droge, open biotopen met lage kruiden, meestal op kalkrijke of rotsachtige bodem. Hij wordt vaak gezien op hellingen, ruigten en steppe-achtige graslanden met veel zon en weinig begroeiing. De vliegperiode is één generatie van mei tot in augustus. Waardplant(en): voorjaarsganzerik, vijfvingerkruid. Engelse benaming: Foulquier’s Grizzled Skipper. Friese benaming: –
Vliegperiode:

Onderfamilie: Pyrginae
Geslacht: Pyrgus
Voorjaarsspikkeldikkopje – 2025 (IT)
(NCBI-index: 1.107717)
Het voorjaarsspikkeldikkopje (Pyrgus serratulae) komt voor op schrale tot bloemrijke graslanden, vaak op lichte, open plekken of aan de randen van bossen. De bovenkant van de voorvleugels is donkerbruin en vertoont meestal kleine witte vlekjes. Bij de mannetjes zijn deze vlekjes doorgaans duidelijker zichtbaar dan bij de vrouwtjes, die daarentegen opvallen door een koperkleurige glans. De bovenkant van de achtervleugel toont slechts vage vlekken, terwijl de onderkant juist zeer kenmerkend is: deze is egaal geelgroen van kleur, met ronde vlekken die vooral aan de basis zichtbaar zijn. Belangrijke onderscheidende kenmerken zijn de stevig gevulde, afgeronde boogvormige markeringen in het marginale veld c2 en de afgeronde, niet-hellende bult in het discale veld c1. De vliegperiode van deze soort bestaat uit één generatie per jaar, van half mei tot half juli. De spanwijdte bedraagt 24 tot 28 mm. Waardplant(en): rechte ganzerik, voorjaarsganzerik. Engelse benaming: Olive Skipper. Friese benaming: –
Vliegperiode:

Onderfamilie: Pyrginae
Geslacht: Pyrgus
Zuidelijke aardbeivlinder – 2025 (FR)
(NCBI-index: 1.107715)
Vorig jaar meende ik deze soort ook al gespot te hebben, maar de twijfel was groot. De zuidelijke aardbeivlinder (Pyrgus malvoides) lijkt namelijk sterk op de gewone aardbeivlinder (Pyrgus malvae). Beide soorten hebben aan de bovenzijde een bijna identiek wit vlekkenpatroon. De zuidelijke aardbeivlinder lijkt soms iets warmer bruin of minder contrastrijk, maar dit is onbetrouwbaar. De enige echt zekere manier van onderscheid is via een genitaliënonderzoek. De genitaliën van mannetjes hebben een andere structuur. In de praktijk kan de locatie ook een betrouwbaar kenmerk zijn. De aardbeivlinder komt voornamelijk in Midden- en Noord-Europa voor, terwijl de zuidelijke aardbeivlinder juist in Frankrijk, de Alpen en Italië te zien is. Daarmee ben ik dus wel vrij zeker dat ik nu met de zuidelijke aardbeivlinder te maken heb. De vliegperiode is twee generaties, van april tot en met juni en van juli tot in augustus. De spanwijdte bedraagt 20-26 mm. Waardplant(en): ganzerik. Engelse benaming: Southern Grizzled Skipper. Friese benaming: Súdlike ierdbeiflinter.
Vliegperiode:

Onderfamilie: Pyrginae
Geslacht: Pyrgus
Bergspikkeldikkopje – 2025 (FR)
(NCBI-index: 876068)
Specifiek voor de Alpen kun je het bergspikkeldikkopje (Pyrgus andromedae) tegenkomen. Deze soort lijkt veel op het donker spikkeldikkopje (Pyrgus cacaliae). Beide kunnen van andere vergelijkbare soorten worden onderscheiden door weinig markeringen op de bovenkant van de achtervleugel en een vuil-donkergroene onderkant van de achtervleugel. Hierdoor wekken de vlinders een vrij doffe indruk. De prominente witte vlek op de onderkant van de achtervleugel en de witte streep in cel 1b lijken enigszins op een uitroepteken. Bij de meeste andere vergelijkbare soorten ontbreekt dit kenmerk. Het bergspikkeldikkopje heeft ten opzichte van het donker spikkeldikkopje meer heldere witte vlekken op de voorvleugel en drie markeringen in cellen 1b, 2 en 3. Het donker spikkeldikkopje heeft kleinere witte vlekken en maximaal 2, soms geen, in cel 1b en 2. De vliegperiode is één generatie, van half mei tot eind augustus, en de spanwijdte bedraagt 25-32 mm. Waardplant(en): zilverkruid. Engelse benaming: Alpine Grizzled Skipper. Friese benaming: –
Vliegperiode:

Onderfamilie: Pyrginae
Geslacht: Spialia
Kalkgraslanddikkopje – 2024 (CH)
(NCBI-index: 509483)
Zowel de bovenkant van de voorvleugel als die van de achtervleugel van het kalkgraslanddikkopje (Spialia sertorius) zijn bruin, met daarop een rij duidelijk getekende witte vlekjes in de binnenste randzone. Je kunt hem onderscheiden van de aardbeivlinder (Pyrgus malvae) aan de witte zoomvlekken. Bij het kalkgraslanddikkopje liggen die in een regelmatige rij, terwijl bij de aardbeivlinder twee witte vlekken naar buiten gericht zijn. Een ander kenmerkend verschil is de kleur van de onderkant van de achtervleugel. Deze is bij het kalkgraslanddikkopje roodbruin met gehoekte witte vlekken, terwijl deze bij de aardbeivlinder meestal groen zijn met witte vlekken. Het kalkgraslanddikkopje onderscheidt zich van het Oostelijk kalkgraslanddikkopje (Spialia orbifer) door de gehoekte witte vlekken op de roodbruine onderkant van de achtervleugels. Bij het Oostelijk kalkgraslanddikopje is de onderkant geelachtig met afgeronde witte vlekken. De vliegperiode is in één generatie, van april tot augustus, en de spanwijdte bedraagt 22-26 mm. Waardplant(en): kleine pimpernel. Engelse benaming: Red Underwing Skipper. Friese benaming: –
Vliegperiode:





















































































































































