Noctuini is een geslachtengroep die behoort tot de onderfamilie Noctuinae binnen de familie uilen (Noctuidae). Deze groep omvat wereldwijd meer dan 500 beschreven soorten.
De imago’s vouwen in rustpositie de vleugels vlak en strak over elkaar heen. Hierdoor ogen ze zeer smal, waardoor ze gemakkelijk tussen verticale grashalmen of plantenstengels kunnen wegkruipen. De voorvleugels hebben een onopvallende schutkleur (grijs, bruin of zwartachtig) om overdag op boomschors of op de bodem onzichtbaar te zijn. Sommige geslachten, zoals de Noctua, hebben echter felgele of oranje achtervleugels met een zwarte rand die pas zichtbaar worden tijdens het vliegen om vijanden te desoriënteren. Ze hebben een relatief dik, robuust en dichtbehaard lichaam met krachtige vleugelspieren die hen in staat stellen om snelle, krachtige vluchten te maken.
De rupsen worden nagenoeg allemaal ‘aardrupsen’ genoemd. Ze zijn vrijwel kaal en onbehaard, met een gladde, ietwat vettige, glanzende huid. Ze leven overdag verborgen in de bovenste grondlaag of onder plantenresten. Pas wanneer het donker wordt, komen ze tevoorschijn om vlak boven of net onder de grondspiegel aan plantenstengels te vreten. Bij verstoring of aanraking rollen de rupsen zich direct strak op in een kenmerkende C-vormige spiraal.
Geslacht: Agrotis
Gewone worteluil – 2015 (NL)
(NCBI-index: 215162)
De gewone worteluil (Agrotis clavis) heeft een lichtbruine tot donkerbruine grondkleur. Op de voorvleugel is altijd een duidelijk opvallende donkere, kleine streep te zien in de lengterichting van de aders. De uilvlekken zijn donkerder gekleurd dan de grondkleur en zijn duidelijk herkenbaar. De gewone worteluil vliegt in twee generaties van mei tot in oktober en heeft een spanwijdte van 30-38 mm. Waardplant(en): diverse kruidachtige planten. Engelse benaming: Heart and Dart. Friese benaming: gersûltsje.
Vliegperiode:

Geslacht: Agrotis
Puta-uil – 2017 (NL)
(NCBI-index: 1.857961)
De puta-uil (Agrotis puta) heeft op de voorvleugel een lichte ringvlek met een donkere kern. Het mannetje heeft een lichtbruine voorvleugel waarop de niervlek moeilijk te zien is. De ringvlek steekt duidelijk af. Het vrouwtje heeft een sterk donkergekleurde voorvleugel. De puta-uil vliegt in twee generaties van april tot in oktober en de spanwijdte bedraagt 30-32 mm. Waardplant(en): zuring, paardenbloem, gewoon varkensgras, sla. Engelse benaming: Shuttle-shaped Dart. Friese benaming: putaûltsje.
Vliegperiode:

Geslacht: Agrotis
Grote worteluil – 2018 (NL)
(NCBI-index: 56364)
Een goed te herkennen uil is de grote worteluil (Agrotis ipsilon). Kenmerkend is de langgerekte, zwarte, pijlvormige streep aan de buitenzijde van de niervlek. Deze streep steekt ver het zoomveld in en raakt soms de kleinere pijlvlekken aan de binnenzijde van de golflijn. In rusthouding worden de vleugels over elkaar heen geslagen, waardoor een smalle, lange indruk ontstaat. De vleugels variëren verder in kleur van lichtbruin tot donkerbruin, waarbij de lichte exemplaren een donkere strook langs de voorrand hebben. De vliegperiode is van april tot en met oktober, in twee generaties, en de spanwijdte bedraagt 35-50 mm. Waardplant(en): kruidachtige planten, grassen, groenten. Engelse benaming: Dark Sword-grass. Friese benaming: grutte woartelûle.
Vliegperiode:

Geslacht: Agrotis
Geoogde worteluil – 2024 (NL)
(NCBI-index: 997525)
De grondkleur van de vrij stompe voorvleugel van de geoogde worteluil (Agrotis clavis) varieert van heel lichtbruin of grijsachtig lichtbruin met donkerbruine vlekken tot vrijwel geheel donkerbruin of zelfs bijna zwart. De lichtere vormen hebben vaak een voorvleugel met een donkere voorrand. De tapvlek is ovaal en niet volledig gevuld. Je ziet een lichte streep in de tapvlek. Rondom de uilvlekken zitten vaak fijne zwarte schubben die de indruk wekken dat de zwarte omranding van de uilvlekken uitgelopen of verwaterd zijn. De achtervleugel van het mannetje is licht tot donkergrijs; die van het vrouwtje is donkergrijs met een middenvlek. De vliegperiode loopt van half mei tot eind juli in één generatie en de spanwijdte bedraagt 35-40 mm. Waardplant(en): paardebloem, zuring, klaver. Engelse benaming: Heart and Club. Friese benaming: –
Vliegperiode:

Geslacht: Diarsia
Gewone breedvleugeluil – 2017 (NL)
(NCBI-index: 987925)
De gewone breedvleugeluil (Diarsia rubi) heeft een roodachtige gloed (rubi = rood) op de bovenkant van de voorvleugels. Op de vleugels zit verder een roodachtig bruine of donkerbruine band en bestuiving. De buitenste dwarslijn is aan de buitenzijde afgezet met een zeer donkere lijn die geleidelijk overgaat in een lichtere zone. Tussen de niervlek en de ringvlek zit een donkere vierkante vlek. De vliegperiode is van mei tot oktober in twee generaties en de spanwijdte bedraagt 28-33 mm. Waardplant(en): paardenbloem, zuring, vingerhoedskruid. Engelse benaming: Small Square-spot. Friese benaming: gewoan breedwjukûltsje.
Vliegperiode:

Geslacht: Noctua
Huismoeder – 2008 (NL)
(NCBI-index: 214277)
De huismoeder (Noctua pronuba) is een zeer kleurvariabele, maar kenmerkende uil met lange, smalle, afgeronde voorvleugels. De kleur van de voorvleugels kan variëren van roodbruin tot zwartbruin, met weinig tekening, tot lichtbruin met lichtbruine of grijze marmering. Op de plek waar de golflijn de voorrand raakt, zit een zwart vlekje. De achtervleugel is oranje met een smalle zwarte achterrand. De nier- en ringvlek zijn goed waarneembaar. De huismoeder vliegt ’s nachts in één generatie van juni tot in oktober en de spanwijdte bedraagt 42-52 mm. Overdag zitten ze verscholen in lage struiken of planten. Waardplant(en): diverse kruidachtige planten en grassen. Engelse benaming: Large Yellow Underwing. Friese benaming: tsjoenster.
Vliegperiode:

Geslacht: Noctua
Open-breedbandhuismoeder – 2017 (NL)
(NCBI-index: 987995)
De open-breedbandhuismoeder (Noctua janthe) is moeilijk te onderscheiden van de kleine breedbandhuismoeder (Noctua janthina). Vooral in de rusthouding is dit het geval. Het verschil tussen beide breedbandhuismoeders is het best te zien aan de achtervleugel. Deze uil heeft een paars- of roodachtig bruine voorvleugel met een donkere dwarsband die overgaat in een lichte zone. De uilvlekken zijn nauwelijks zichtbaar. De poten lopen qua kleur over van een lichte, effen kleur naar een deel met zwarte bandjes. De vliegperiode is van juni tot september en de spanwijdte bedraagt 30-40 mm. Waardplant(en): diverse kruidachtige planten, struiken en loofbomen. Engelse benaming: Lesser Broad-bordered Yellow Underwing. Friese benaming: iepenbreedbântsjoenster.
Vliegperiode:

Geslacht: Noctua
Zwartpuntvolgeling – 2017 (NL)
(NCBI-index: 1.858045)
De zwartpuntvolgeling (Noctua orbona) lijkt erg op de volgeling (Noctua comes) die een bredere voorvleugel heeft. Bij de zwartpuntvolgeling zit een duidelijk begrensd zwart vlekje op de veelal grijsachtig-bruine voorvleugel dicht bij de vleugelpunt. Die ontbreekt bij de volgeling. Op de oranjegele achtervleugel zit een donkere, maanvormige middenvlek en langs de achterrand loopt een smalle, zwarte band. Vaak bevindt zich tegen de voorrand van de voorvleugel, net onder de niervlek, een klein donker vlekje met daarnaast een witachtig vlekje. De vliegperiode is van mei tot september in één generatie en de spanwijdte bedraagt 38-45 mm. Waardplant(en): allerlei grassen en kruidachtige planten. Engelse benaming: Lunar Yellow Underwing. Friese benaming: swartpuntfolgeling.
Vliegperiode:

Geslacht: Noctua
Kleine breedbandhuismoeder – 2019 (NL)
(NCBI-index: 987996)
Voor het benoemen van de huismoeders is het zaak om een kijkje te nemen naar de bovenkant van de achtervleugels. Die zijn heel kenmerkend en geven je de mogelijkheid om de juiste soort te benoemen. Voor de kleine breedbandhuismoeder (Noctua janthina) had ik het geluk dat ik op het juiste moment een foto kon maken. Deze uil is wat kleiner dan zijn soortgenoten en heeft een paars- of roodachtige voorvleugel die soms blauwgrijs lijkt. De tekening op de voorvleugel is relatief slecht zichtbaar. Wel zie je vaak een duidelijke bandering. Het meest kenmerkende is de achtervleugel die okergeel is met bij de vleugelwortel een grote donkere vlek en langs de achterrand een zeer brede zwartachtige band die langs de voorrand met elkaar verbonden zijn. In het min of meer ingesloten ronde of ovale oranje veld daartussen zie je meestal zwarte aders. De vliegperiode is van eind juni tot in september in één generatie en de spanwijdte bedraagt ongeveer 35 mm. Waardplant(en): diverse kruidachtige planten, loofbomen. Engelse benaming: Langmaid’s Yellow Underwing. Friese benaming: lytse breedbântsjoenster.
Vliegperiode:

Geslacht: Noctua
Breedbandhuismoeder – 2020 (NL)
(NCBI-index: 753202)
Voor het herkennen van de huismoedersoorten moet je altijd letten op de achtervleugel om zeker te zijn van de juiste identificatie. Voor de breedbandhuismoeder (Noctua fimbriata) is dat niet direct nodig. De kleur van de bovenzijde van de voorvleugel varieert, maar de tekening is vrij constant. De voorvleugel van het mannetje is roodachtig bruin tot olijfgroen en bij het vrouwtje lichtbruin, lichtgroen of roodachtig bruin. De dwarslijnen zijn ongetand en op de oranjegele achtervleugel loopt een brede zwarte zoom langs de achterrand. De witte poten zijn aan het uiteinde zwart-wit gemarkeerd. De spanwijdte bedraagt 45-55 mm en de vliegperiode is van juni tot oktober in één generatie. Waardplant(en): brandnetel, zuring, berk, braam, liguster, wilg. Engelse benaming: Broad-bordered Yellow Underwing. Friese benaming: breedbântsjoenster.
Vliegperiode:

Geslacht: Noctua
Kleine huismoeder – 2021 (NL)
(NCBI-index: 987993)
De in Nederland kleinst voorkomende Noctua-soort is de kleine huismoeder (Noctua interjecta). De voorvleugel is opvallend warm oranjebruin tot roodbruin. De verschillende lijnen en uilvlekken zijn nauwelijks zichtbaar, waarbij de binnenste lob van de niervlek nog het duidelijkst waarneembaar is. De achtervleugel is oranjegeel gekleurd met een brede donkerbruine band en een maanvormige donkere middenstip die soms samenvalt met de donkere band. De donkere middenstip is aan de onderkant van de vleugel soms beter te zien dan aan de bovenkant. De spanwijdte bedraagt 31-36 mm en de vliegperiode duurt in één generatie van juni tot oktober. Waardplant(en): kruidachtige planten. Engelse benaming: Least Yellow Underwing. Friese benaming: lytse tsjoenster.
Vliegperiode:

Geslacht: Noctua
Volgeling – 2025 (NL)
(NCBI-index: 987992)
Van de Noctua-soorten die in Nederland voorkomen, was de volgeling (Noctua comes) de laatste die ik nog wilde ontdekken. Toen ik hem tijdens het landen op mijn doek fotografeerde, kreeg ik al snel het vermoeden dat het raak was. Bij nadere bestudering van de bovenzijde van de achtervleugel werd dat bevestigd. Op de oranjegele achtervleugel is een donkere, maanvormige middenvlek te zien en langs de achterrand loopt een vrij smalle zwartbruine band. Daarmee lijkt hij sterk op de zwartpuntvolgeling (Noctua orbona), maar die soort heeft op de bovenzijde van de voorvleugel, in de vleugelpunt, een duidelijk zwart vlekje. De kleur van de vrij brede voorvleugel is zeer variabel. De grondkleur loopt uiteen van lichtbruin – vaak grijsachtig en soms groenachtig getint – via roodbruin tot bijna zwart. De golflijn is doorgaans goed zichtbaar en is bij de voorrand van de vleugel soms verdikt tot een driehoekig vlekje, waarvan één zijde altijd vaag verloopt. Een scherp afgetekend zwart vlekje ontbreekt daardoor altijd. De vliegperiode is één generatie, van half mei tot begin oktober, en de spanwijdte bedraagt 38-44 mm. Waardplant(en): kruidachtige planten. Engelse benaming: Lesser Yellow Underwing. Friese benaming: folgeling.
Vliegperiode:

Geslacht: Ochropleura
Haarbos – 2017 (NL)
(NCBI-index: 320037)
De haarbos (Ochropleura plecta) valt het meest op door zijn geelkleurige brede strook langs de vleugelrand. Direct naast deze lichte strook zit een zwarte baan en de rest van de vleugel is donkerbruin. De uilvlekken vallen duidelijk op door de witte omlijning. Op de kop is een opvallend lichtbruine beharing aanwezig. De vliegperiode is van april tot oktober in twee, en soms drie, generaties, en de spanwijdte bedraagt 24-30 mm. Waardplant(en): diverse kruidachtige planten. Engelse benaming: Flame Shoulder. Friese benaming: hierbosk.
Vliegperiode:

Geslacht: Xestia
Zwarte C-uil – 2017 (NL)
(NCBI-index: 987431)
De zwarte C-uil (Xestia c-nigrum) is goed te herkennen aan de opvallende strogele driehoekige vlek langs de voorrand van de voorvleugel. Aan deze lichte vlek grenst een zwarte vlek in de vorm van een hoekige ‘C’. De kraag van deze uil is ook strogeel. De rest van de voorvleugel is donkergrijs. De achtervleugel is wit en heeft langs de achterrand een grijze bestuiving. De zwarte C-uil vliegt in twee generaties van april tot eind november en de spanwijdte bedraagt 28-38 mm. Waardplant(en): brandnetel, dovenetel, wilgenroosje. Engelse benaming: Setaceous Hebrew Character. Friese benaming: swart c-ûltsje.
Vliegperiode:

Geslacht: Xestia
Vierkantvlekuil – 2018 (NL)
(NCBI-index: 988049)
Een uil die je vooral in de nazomer ziet is de vierkantvlekuil (Xestia xanthographa). Het is een erg variabele soort qua kleuren. De lichte en/of licht omlijnde niervlek is kenmerkend. Ze lijken door de donkere opvulling aan de uiteinden van de lobben soms vierkant te zijn. De ringvlek steekt vaak ook licht af en tussen de ring- en niervlek ligt vaak een donker vlak. De geschulpte dwarslijnen zijn niet altijd zichtbaar en de buitenste dwarslijn is altijd zichtbaar als een rij stippen of streepjes. De kleur van de voorvleugel varieert van lichtbruin tot roodachtig of grijsachtig bruin. De vliegperiode is van eind juli tot in oktober in één generatie en de spanwijdte bedraagt 32-35 mm. Waardplant(en): walstro, pijpenstrootje. Engelse benaming: Square-spot rustic. Friese benaming: fjouwerkantflekûltsje.
Vliegperiode:

Geslacht: Xestia
Driehoekuil – 2020 (NL)
(NCBI-index: 988048)
Een uil die sterk op de trapeziumuil (Xestia ditrapezium) lijkt is de driehoekuil (Xestia triangulum). De redelijk brede voorvleugel is meestal licht grijsachtig bruin met soms een rood- of rozeachtige tint. Soms is de voorvleugel donkerder of overheersend grijs. De driehoekuil heeft een iets bredere en lichtere voorvleugel dan de trapeziumuil en een grijsbruine achtervleugel, terwijl de trapeziumuil een lichtbruine achtervleugel heeft. Op de achtervleugel is een vage middenvlek te zien en zijn de franjes iets lichter gekleurd dan de rest van de achtervleugel. Het beste is om het verschil te zien aan de zone tussen de dwarslijn die het wortelveld begrenst en de binnenste dwarslijn. Bij de driehoekuil is deze zone even licht als het wortelveld. Bij de trapeziumuil is deze zone juist donkerder. Op de voorvleugel is een zwart veld te zien waarin de lichtere ringvlek schuin naar binnen steekt. De zwarte vlekken boven en onder de ringvlek zijn vaak niet met elkaar verbonden. Vlak bij de vleugelpunt op de voorvleugel is een zwart vlekje te zien dat hem onderscheidt van de gelijkende ruituil (Xestia stigmatica). De vliegperiode is van mei tot september in één generatie en de spanwijdte bedraagt 36-46 mm. Waardplant(en): weegbree, zuring, brandnetel. Engelse benaming: Double Square-spot. Friese benaming: trijehoekûltsje.
Vliegperiode:









































































































































































