Over de taxanomische hiërarchie van de Apameini bestaat internationaal geen consensus. Deze stam wordt door sommige wetenschappers nog vaak geplaatst onder de onderfamilie Hadeninae of Xyleninae, beide behorend tot de uilen (Noctuidae), op basis van morfologische eigenschappen. Moderne indelingen plaatsen deze groep als stam binnen de Noctuinae. Met de database van het National Center for Biotechnology Information (NCBI) als uitgangspunt wordt deze indeling gevolgd.
De Apameini omvatten wereldwijd meer dan 800 soorten, verdeeld over 70 tot 93 geslachten, en komen vooral voor in grasrijke natte omgevingen. De meeste rupsen zijn echte endofage larven en vertonen gedrag waarbij ze zich in een stengel of wortelstok boren. Sommige soorten richten zich vooral op jonge grassen waarbij ze de stengels volledig doorvreten, vlak onder of aan de oppervlakte van de grond, waardoor deze omvallen of afsterven.
Geslacht: Amphipoea
Geelbruine vlekuil – 2017 (NL)
(NCBI-index: 1.219315)
De geelbruine vlekuil (Amphipoea fucosa) is een van de drie Amphipoea-soorten die in Nederland voorkomen. De oude naam van deze uil is de geelbruine vlekuil. Kenmerkend is de grote hoeveelheid dunne zwarte dwarslijnen die variëren in intensiteit. De niervlek is geel, oranje of wit en valt duidelijk op. De grondkleur van de vleugels is licht geelbruin. De biotoop waarin de soort is waargenomen kan ondersteunend zijn bij de determinatie. De weidevlekuil komt voornamelijk voor in min of meer vochtige graslanden in de kuststreek en lokaal in het binnenland (rivierengebied). De weidevlekuil vliegt in één generatie van juli tot en met oktober en heeft een spanwijdte van 29-35 mm. Waardplant(en): diverse grassen. Engelse benaming: Saltern Ear. Friese benaming: Gielbrún flekûltsje.
Vliegperiode:

Geslacht: Apamea
Graswortelvlinder – 2008 (NL)
(NCBI-index: 875885)
De graswortelvlinder (Apamea monoglypha) is wat groter dan zijn soortgenoten. De bovenkant van de voorvleugel is grijsbruin of grijsgeel en de uilvlekken zijn duidelijk zichtbaar. De ringvlek is langwerpig en loopt schuin omhoog. In de lichte golflijn is een W te herkennen en op de bovenzijde van het borststuk zijn twee donkere V-vormige lijnen te zien. De graswortelvlinder vliegt in één generatie van juni tot september en heeft een spanwijdte van 38 tot 52 mm. Waardplant(en): kweek, kropaar en ruwe smele. Engelse benaming: Dark Arches. Friese benaming: Gerswoartelûltsje.
Vliegperiode:

Geslacht: Apamea
Variabele grasuil – 2018 (NL)
(NCBI-index: 753153)
Een variabele soort met twee duidelijke kleurvormen is de variabele grasuil (Apamea crenata). De ene kleurvorm is een lichtgeel tot bruin, enigszins rood- of grijsgetinte voorvleugel. Opvallend zijn de donkerbruine, brede schouders die bij de binnenrand van de vleugel uitlopen in twee zwarte strepen waarvan de uiteinden in rusthouding naar elkaar toe lijken te lopen. Langs de voorrand van de vleugel zijn verscheidene schuin naar achteren lopende roodachtige bruine vlekken en vegen te zien. Ook aan de achterrand van de vleugel bevinden zich roodachtig-bruine getande vlekken. De andere kleurvorm heeft een roodachtig donkerbruine voorvleugel die vrij effen getekend is en waarop alleen de geelachtig omlijnde niervlek en ringvlek opvallen. De vliegperiode is van eind april tot half juli in één generatie en de spanwijdte bedraagt 36-44 mm. Waardplant(en): diverse grassen, waaronder kropaar. Engelse benaming: Clouded-bordered Brindle. Friese benaming: Fariabel gersûltsje.
Vliegperiode:

Geslacht: Apamea
Rietgrasuil – 2019 (NL)
(NCBI-index: 689062)
Een kleinere Apamea-soort is de rietgrasuil (Apamea unanimis). Deze uil is duidelijk te herkennen aan de altijd afstekende witte rand aan de holle achterzijde van de niervlek. De voorvleugel heeft een lichte tot donkere, roodachtig bruine of olijfbruine kleur en een variabel, soms ruw aandoend gemarmerd uiterlijk. In het wortelveld liggen twee zwarte strepen, één in het midden en één bij de binnenrand van de vleugel. De streep in het midden vormt samen met de zwartachtige zijkant van de schouder een opvallende forse zwarte veeg. Op de achtervleugel is een duidelijke vlek aanwezig in de vorm van een halve maan die bij andere Apamea-soorten ontbreekt. De vliegperiode is van begin mei tot half juli en de spanwijdte bedraagt 30-38 mm. Waardplant(en): rietgras en bochtige smele. Engelse benaming: Small Clouded Brindle. Friese benaming: –
Vliegperiode:

Geslacht: Apamea
Kweekgrasuil – 2019 (NL)
(NCBI-index: 689061)
Het meest kenmerkende van de kweekgrasuil (Apamea sordens) is een enigszins vertakte zwarte wortelstreep. De voorvleugel is redelijk breed, zandkleurig of grijsachtig bruin en heeft een vrij spitse vleugelpunt. De ring- en niervlek zijn vrij groot en de niervlek is vaak grotendeels of geheel wit omlijnd. In het zoomveld is soms een roodachtige vlek te zien. De vliegperiode is van eind april tot eind juli in één generatie en de spanwijdte bedraagt 34-42 mm. Waardplant(en): diverse grassen, waaronder kropaar en kweekgras. Engelse benaming: Rustic Shoulder-knot. Friese benaming: –
Vliegperiode:

Geslacht: Apamea
Bleke grasworteluil – 2021 (NL)
(NCBI-index: 987881)
De bleke grasworteluil (Apamea lithoxylaea) is een vrij lichte schaars getekende uil. De vleugels zijn licht strogeel en fijn getekend met donkerbruine tot zwartbruine lijnen en stippen. Over de spitsgevormde voorvleugel lopen een paar dwarslijnen die gevormd worden door kleine donkere stippen. De achtervleugel heeft geen dwarslijnen, maar wel een donkere binnenrandhoek. De vleugelvorm, het lichtgekleurde borststuk en het ontbreken van de dwarslijn op de achtervleugel onderscheiden deze uil van de okergele grasuil (Apamea sublustris). De spanwijdte bedraagt 43-50 mm en de vliegperiode is in één generatie van juni tot september. Waardplant(en): diverse grassen. Engelse benaming: Light Arches. Friese benaming: –
Vliegperiode:

Geslacht: Helotropha
Gele lisboorder – 2018 (NL)
(NCBI-index: 987462)
Het eerste exemplaar dat ik spotte van de gele lisboorder (Helotropha leucostigma) was even puzzelen doordat het een al redelijk afgevlogen exemplaar was. De voorrand en de achterrand van deze uil vormen een vrij rechte hoek. De bovenkant van de voorvleugel is chocoladebruin of roodachtig en de niervlek is vrij opvallend wit. Sommige exemplaren zijn vrij effen getekend, maar er zijn ook exemplaren waarbij duidelijk witte getekende aderen te zien zijn, zoals bij mijn eerste exemplaar. Daarbij is vaak ook een opvallend lichte band in het zoomveld te zien waarvan de binnenrand recht is. Deze uil vliegt in één generatie van juni tot begin oktober en heeft een spanwijdte van 37-44 mm. Waardplant(en): gele lis, galigaan en pijpenstrootje. Engelse benaming: The Crescent. Friese benaming: Barchjeblomboarder.
Vliegperiode:

Geslacht: Hydraecia
Aardappelstengelboorder – 2018 (NL)
(NCBI-index: 214171)
Bij het blauwige licht van de lamp die ik gebruik om nachtvlinders te lokken zie je soms niet alles even duidelijk. Met een zaklamp schijn ik dan vaak om te kijken of ik met een nieuwe soort te maken heb. Dan zie je ineens onopvallend een aardappelstengelboorder (Hydraecia micacea) zitten op een gele baksteen die het doek op zijn plek houdt. Deze geelkleurige, soms rozeachtig bruine, uil heeft twee donkere centrale dwarslijnen op de voorvleugel. De binnenste is onregelmatig en vertoont bij de voorrand een opvallende knik. De buitenste dwarslijn loopt diagonaal over de vleugel en maakt bij de voorrand een scherpe bocht richting de vleugelwortel. Het deel tussen de twee dwarslijnen is donkerder dan de rest van de vleugel. De ringvlek en niervlek zijn donker omrand. De vliegperiode is van juli tot begin november in één generatie. De spanwijdte bedraagt 28-45 mm. Waardplant(en): zuring, weegbree, akkerandoorn, hop, lamsoor, aardappel en gele lis. Engelse benaming: Rosy Rustic. Friese benaming: –
Vliegperiode:

Geslacht: Lateroligia
Moerasgrasuil – 2020 (NL)
(NCBI-index: 688364)
De moerasgrasuil (Lateroligia ophiogramma, alternatief Apamea ophiogramma) is een slank gebouwde uil met een zandkleurige of licht roodachtig bruine voorvleugel. Kenmerkend is het roodachtig-bruin tot donkerbruin veld langs de voorrand. Het veld omvat de ringvlek en de lichtgekleurde niervlek en loopt uit in een breed zwartgerande lob die het veld insteekt. Er zijn soms ook exemplaren die bijna helemaal donkerbruin zijn, maar de donkere lob is bij deze vormen ook duidelijk zichtbaar. De spanwijdte bedraagt 32-35 mm en de vliegperiode loopt van juni tot half augustus in één generatie. Waardplant(en): rietgras, liesgras. Engelse benaming: Double lobed. Friese benaming: Sompegersûltsje.
Vliegperiode:

Geslacht: Luperina
Gewone grasuil – 2020 (NL)
(NCBI-index: 988174)
De gewone grasuil (Luperina testacea) is een uil die in grootte, breedte en kleur variabel is. De tekening op de voorvleugel is wel redelijk constant. De niervlek en ringvlek zijn meestal gedeeltelijk zwartgerand en de zwarte middelste dwarslijnen markeren het donkere middenveld. De kleur van de voorvleugel loopt uiteen van dof strokleurig, via licht- en donkerbruin tot zwartachtig bruin, waarbij meestal een lichte spikkeling aanwezig is. De achtervleugel is wit of soms grijs en enigszins doorschijnend, waardoor de lichtbruine aders zichtbaar zijn. De spanwijdte bedraagt 30-35 mm en de vliegperiode loopt van juli tot begin oktober in één generatie. Waardplant(en): diverse grassen. Engelse benaming: Flounced Rustic. Friese benaming: Gewoane gersûltsje.
Vliegperiode:

Geslacht: Mesapamea
Halmrupsvlinder – 2017 (NL)
(NCBI-index: 988129)
De halmrupsvlinder (Mesapamea secalis) is een uil die vele variaties in kleur heeft van licht tot donker. De voorvleugel heeft een afgeronde achterrand en een stompe vleugelpunt. De niervlek, die soms grotendeels wit tot crème-kleurig is, heeft een duidelijke witte omlijning. De centrale dwarslijnen variëren in intensiteit en zijn soms verbonden met een zwarte strook. Sommige exemplaren hebben een vrij herkenbaar en gelijkmatig uiterlijk, andere zijn vlekkerig. Deze uil is nauwelijks te onderscheiden van het weidehalmuiltje (Mesapamea secalella). Zeer donkere exemplaren met een krijtwitte niervlek behoren meestal tot het weidehalmuiltje en zijn gemiddeld iets kleiner. Exemplaren met een uitgesproken witte tekening op de voorvleugel behoren altijd tot de halmrupsvlinder. In de meeste gevallen is een onderzoek van de genitaliën nodig. De vliegperiode is van mei tot september in één generatie en de spanwijdte bedraagt 24-32 mm. Waardplant(en): kropaar, rietzwenkgras, ruwe smele. Engelse benaming: Common Rustic. Friese benaming: –
Vliegperiode:

Geslacht: Oligia
Donker halmuiltje – 2018 (NL)
(NCBI-index: 988008)
Het donker halmuiltje (Oligia latruncula) lijkt veel op de andere halmuiltjes in zijn familie. Het donker halmuiltje is vaak kleiner, donker en grauwgrijs tot zwartachtig, waarbij de brede band in het zoomveld bruin tot koperkleurig is. Op het borststuk zijn meestal geen oranje of roodachtige bosjes haren te zien. De vleugeluiteinden kunnen bruinachtig zijn, maar ook lichtgrijs of lichtbruin. Bij de lichtere exemplaren valt heel duidelijk de witte golflijn op die aan de donkere middenband grenst. De vliegperiode is van half mei tot augustus en de spanwijdte bedraagt 24-27 mm. Waardplant(en): kropaar. Engelse benaming: Tawny Marbled Minor. Friese benaming: –
Vliegperiode:

Geslacht: Oligia
Gelobd halmuiltje – 2018 (NL)
(NCBI-index: 988009)
Het gelobd halmuiltje (Oligia strigilis) is net als de andere halmuiltjes zeer variabel en moeilijk te onderscheiden van zijn soortgenoten. De helder getekende exemplaren zijn nog het best te onderscheiden vanwege hun zwarte balk tussen beide centrale dwarslijnen en de vrij lichte band in het zoomveld. Het gelobd halmuiltje heeft op de bovenzijde van het borststuk een kenmerkend oranje haarbosje. Verder is kenmerkend de meervoudig ingesneden, sterk en duidelijk gelobde binnenrand van de lichte band in het zoomveld. De inkepingen zijn zichtbaar als dunne zwarte streepjes op de aders in het zoomveld. De meest opvallende lob is krijtwit en zit het dichtst bij de binnenrand van de vleugel. Bij twijfel moet het genitaliënonderzoek de uitkomst bieden. De vliegperiode is van mei tot eind augustus in één generatie en de spanwijdte bedraagt 22-25 mm. Waardplant(en): kropaar, kweek, rietgras. Engelse benaming: Marbled Minor. Friese benaming: –
Vliegperiode:

Geslacht: Oligia
Oranjegeel halmuiltje – 2019 (NL)
(NCBI-index: 1.870138)
Van de halmuiltjes is het oranjegele halmuiltje (Oligia fasciuncula) het makkelijkst te herkennen. De grondkleur van de bovenkant van de voorvleugels is geelbruin tot oranjebruin. Het meest kenmerkend is de donkere middenband, begrensd door wit afgezette dwarslijnen. De ring- en niervlek zijn lichtgekleurd en niet opvallend omrand. De vliegperiode is van mei tot en met juli in één generatie en de spanwijdte bedraagt 22-26 mm. Waardplant(en): diverse grassen. Engelse benaming: Middle-barred Minor. Friese benaming: Oranjegiel halmûltsje.
Vliegperiode:

Geslacht: Rhizedra
Herfstrietboorder – 2018 (NL)
(NCBI-index: 988156)
De herfstrietboorder (Rhizedra lutosa) is een vrij forse uil. De smalle, spits toelopende voorvleugel heeft vaak een scherpe, soms iets naar achteren buigende vleugelpunt. De basiskleur varieert van strokleurig grijs of licht grijsachtig bruin tot licht roodachtig bruin. Op de vleugel is vaak een grijs- of zwartachtige bestuiving aanwezig. Op de voorvleugel is een lichte adering zichtbaar en een kleine donkere kern van de bijna niet zichtbare niervlek. De buitenste dwarslijn bestaat uit een rij donkere stippen. Op het borststuk is vaak een fijne kamachtige middennaad aanwezig. De vliegperiode is van eind juli tot in november in één generatie en de spanwijdte bedraagt 42-50 mm. Waardplant(en): riet. Engelse benaming: Large Wainscot. Friese benaming: Hjerstreidboarder.
Vliegperiode:









































































































































































