Noctuinae

De Noctuinae zijn een onderfamilie van de uilen (Noctuidae). De voorvleugels van deze vlinders zijn in het algemeen rechthoekig. In ruststand worden de vleugels over elkaar heen gevouwen boven het achterlijf. De kop is breed en afgeplat en heeft geen bosje omhoogstekende haren.

 

Stam: Apameini
Geslacht: Amphipoea

Weidevlekuil – 2017 (NL)

De geelbruine vlekuil (Amphipoea fucosa) is één van de drie Amphipoea soorten die in Nederland voorkomen. De oude naam van deze uil is de geelbruine vlekuil. Kenmerkend is de grote hoeveelheid dunne zwarte dwarslijnen die variëren in intensiteit. De niervlek is geel, oranje of wit en vallen duidelijk op. De grondkleur van de vleugels is licht geelbruin. De biotoop waar de soort is waargenomen kan ondersteunend zijn voor de determinatie. De weidevlekuil komt voornamelijk voor in min of meer vochtige graslanden in de kuststreek en lokaal in het binnenland (rivierengebied). De weidevlekuil vliegt in één generatie van juli tot in oktober en de spanwijdte bedraagt 29-35mm. Waardplant: diverse grassen. Engelse benaming: Saltern Ear. Friese benaming: Gielbrún flekûltsje.

 

Stam: Apameini
Geslacht: Apamea

Graswortelvlinder – 2008 (NL)

De graswortelvlinder (Apamea monoglypha) is wat groter dan zijn soortgenoten. De bovenkant van de voorvleugel is grijsbruin of grijsgeel en duidelijk zijn de uilvlekken te herkennen. De ringvlek is langwerpig en loopt schuin omhoog. In de lichte golflijn is een W te herkennen en op de bovenzijde van het borststuk zijn twee donkere V-vormige lijnen aanwezig. De graswortelvlinder vliegt in één generatie van juni tot september en de spanwijdte bedraagt 38-52mm. Waardplant: kweek, kropaar en ruwe smele. Engelse benaming: Dark Arches. Friese benaming: Gerswoartelûltsje.

 

Stam: Apameini
Geslacht: Apamea

Variabele grasuil – 2018 (NL)

Een variabele soort met twee duidelijke kleurvormen is de variabele grasuil (Apamea crenata). De ene kleurvorm is lichtgeel tot bruine, enigszins rood of grijs getinte voorvleugel. Opvallend zijn de donkerbruine, brede schouders die bij de binnenrand van de vleugel uitlopen in twee zwarte strepen waarvan de uiteinden in rusthouding naar elkaar toe lijken te lopen. Langs de voorrand van de vleugel zijn verscheidende schuin naar achteren lopende roodachtige bruine vlekken en vegen te zien. Ook in de achterrand van de vleugel bevinden zich roodachtig bruine getande vlekken. De andere kleurvorm heeft een roodachtig donkerbruine voorvleugel die vrij effen getekend is en waarop alleen de geelachtig omlijnde niervlek en ringvlek opvallen. De vliegperiode is van eind april tot half juli in één generatie en de spanwijdte bedraagt 36-44mm. Waardplant: diverse grassen waaronder kropaar. Engelse benaming: Clouded-bordered Brindle. Friese benaming: Fariabel gersûltsje.

 

Stam: Apameini
Geslacht: Apamea

Rietgrasuil – 2019 (NL)

Een kleinere Apamea-soort is de rietgrasuil (Apamea unanimis). Deze uil is duidelijk te herkennen aan de altijd duidelijk afstekende witte rand aan de holle achterzijde van de niervlek. De voorvleugel heeft een lichte tot donkere, roodachtig bruine of olijfbruine kleur en een variabel, soms ruw aandoend gemarmerd uiterlijk. In het wortelveld liggen twee zwarte strepen, één in het midden en één bij de binnenrand van de vleugel. De streep in het midden vormt samen met de zwartachtige zijkant van de schouder een opvallende forse zwarte veeg. Op de achtervleugel is een duidelijke vlek aanwezig in de vorm van een halve maan die bij andere Apamea-soorten ontbreekt. De vliegperiode is van begin mei tot half juli en de spanwijdte bedraagt 30-38mm. Waardplant: rietgras en bochtige smele. Engelse benaming: Small Clouded Brindle. Friese benaming:

 

Stam: Apameini
Geslacht: Apamea

Kweekgrasuil – 2019 (NL)

Het meest kenmerkende van de kweekgrasuil (Apamea sordens) is meestal enigszins vertakte zwarte wortelstreep. De voorvleugel is redelijk breed, zandkleurig of grijsachtig bruin en heeft een vrij spitse vleugelpunt. De ring- en niervlek zijn vrij groot en de niervlek is vaak grotendeels of geheel wit omlijnd. In het zoomveld is soms een roodachtige vlek te zien. De vliegperiode is van eind april tot eind juli in één generatie en de spanwijdte bedraagt 34-42mm. Waardplant: diverse grassen waaronder kropaar en kweek. Engelse benaming: Rustic Shoulder-knot. Friese benaming:

 

Stam: Apameini
Geslacht: Helotropha

Gele lis-boorder – 2018 (NL)

Het eerste exemplaar dat ik spotte van de gele lis-boorder (Helotropha leucostigma) was even puzzelen doordat het een al redelijk afgevlogen exemplaar was. De voorrand en de achterrand van deze uil vormen een vrij rechte hoek. De bovenkant van de voorvleugel is chocoladebruin of roodachtig en de niervlek is vrij opvallend wit. Sommige exemplaren zijn vrij effen getekend, maar er zijn ook exemplaren waarbij duidelijk wit getekende aderen zijn te zien zoals bij mijn eerste exemplaar. Daarbij is vaak ook een opvallend lichte band in het zoomveld te zien waarvan de binnenrand recht is. Deze uil vliegt in één generatie van juni tot begin oktober en de spanwijdte bedraagt 37-44mm. Waardplant: gele lis, galigaan en pijpenstrootje. Engelse benaming: The Crescent. Friese benaming: Barchjeblomboarder.

 

Stam: Apameini
Geslacht: Hydraecia

Aardappelstengelboorder – 2018 (NL)

Bij het blauwige licht van de lamp die ik gebruik bij het lokken van nachtvlinders zie je soms niet alles even duidelijk. Met een zaklamp schijn ik dan vaak bij om te kijken of ik met een nieuwe soort te maken heb. Dan zie je ineens onopvallend een aardappelstengelboorder (Hydraecia micacea) zitten op een gele baksteen die het doek op zijn plek houdt. Deze geelkleurige, soms rozeachtig bruine, uil heeft twee donkere centrale dwarslijnen op de voorvleugel. De binnenste is onregelmatig en vertoont bij de voorrand een opvallende knik. De buitenste dwarslijn loopt diagonaal over de vleugel en maakt bij de voorrand een scherpe bocht richting de vleugelwortel. Het deel tussen de twee dwarslijnen is donkerder dan de rest van de vleugel. De ringvlek en niervlek zijn donker omrand. De vliegperiode is van juli tot november in één generatie. Waardplant: zuring, weegbree, akkerandoorn, hop, lamsoor, aardappel en gele lis. Engelse benaming: Rosy Rustic. Friese benaming:

 

Stam: Apameini
Geslacht: Lateroligia

Moeras-grasuil – 2020 (NL)

De moeras-grasuil (Lateroligia ophiogramma, alternatief Apamea ophiogramma) is slank gebouwde uil met een zandkleurige of licht roodachtig bruine voorvleugel. Kenmerkend is het roodachtig bruine tot donkerbruine veld langs de voorrand. Het veld omvat de ringvlek en de licht gekleurde niervlek en loopt uit in een breed zwartgerande lob die het veld insteekt. Er zijn soms ook exemplaren die bijna helemaal donkerbruin zijn, maar de donkere lob is bij deze vormen ook duidelijk zichtbaar. De spanwijdte bedraagt 32-35mm en de vliegperiode loopt van juni tot half augustus in één generatie. Waardplant: Rietgras en liesgras. Engelse benaming: Double lobed. Friese benaming: Sompegersûltsje.

 

Stam: Apameini
Geslacht: Luperina

Gewone grasuil – 2020 (NL)

De gewone grasuil (Luperina testacea) is een uil die variabel is in grootte, breedte en kleur. De tekening op de voorvleugel is wel redelijk constant. De niervlek en ringvlek zijn meestal gedeeltelijk zwartgerand en de zwarte middelste dwarslijnen markeren het donkere middenveld. De kleur van de voorvleugel loopt uiteen van dof strokleurig, via licht- en donkerbruin tot zwartachtig bruin waarbij meestal een lichte spikkeling aanwezig is. De achtervleugel is wit of soms grijs en enigszins doorschijnend waardoor de lichtbruine aders te zien zijn. De spanwijdte bedraagt 30-35mm en de vliegperiode loopt van juli tot begin oktober in één generatie. Waardplant: Diverse grassen. Engelse benaming: Flounced Rustic. Friese benaming: Gewoane gersûltsje.

 

Stam: Apameini
Geslacht: Mesapamea

Halmrupsvlinder – 2017 (NL)

De halmrupsvlinder (Mesapamea secalis) is een uil die vele variaties in kleur heeft van licht tot donker. De voorvleugel heeft een afgeronde achterrand en een stompe vleugelpunt. De niervlek, welke soms grotendeels wit tot crème kleurig is,  heeft een duidelijke witte omlijning. De centrale dwarslijnen variëren in intensiteit en zijn soms verbonden door middel van een zwarte strook. Sommige exemplaren hebben een vrij herkenbaar en gelijkmatig uiterlijk, andere zijn vlekkerig. Dese uil is bijna niet te onderscheiden van het weidehalmuiltje (Mesapamea secalella). Zeer donkere exemplaren met een krijtwitte niervlek behoren meestal tot het weidehalmuiltje en gemiddeld is deze soort iets kleiner. Exemplaren met een uitgesproken witte tekening op de voorvleugel behoren altijd tot de halmrupsvlinder. In de meeste gevallen is genitaliënonderzoek nodig. De vliegperiode is van mei tot september in één generatie en de spanwijdte bedraagt 24-32mm. Waardplant: kropaar, rietzwenkgras en ruwe smele. Engelse benaming: Common Rustic. Friese benaming:

 

Stam: Apameini
Geslacht: Oligia

Donker halmuiltje – 2018 (NL)

Het donker halmuiltje (Oligia latruncula) lijkt veel op de ander halmuiltjes in zijn familie. Het donker halmuiltje is vaak kleiner, donker en grauwgrijs tot zwartachtig waarbij de brede band in het zoomveld een bruine tot koperachtige kleur heeft. Op het borststuk zijn meestal geen oranje of roodachtige bosjes haren te zien. De vleugeluiteinden kunnen bruinachtig zijn, maar ook lichtgrijs of lichtbruin. Bij de lichtere exemplaren valt heel duidelijk de witte golflijn op die grenst aan de donkere middenband. De vliegperiode is van half mei tot in augustus en de spanwijdte bedraagt 24-27mm. Waardplant: kropaar. Engelse benaming: Tawny Marbled Minor. Friese benaming:

 

Stam: Apameini
Geslacht: Oligia

Gelobd halmuiltje – 2018 (NL)

Het gelobd halmuiltje (Oligia strigilis) is net als de andere halmuiltjes zeer variabel en moeilijk te onderscheiden van zijn soortgenoten. De helder getekende exemplaren zijn nog het best te onderscheiden vanwege hun zwarte balk tussen beide centrale dwarslijnen en de vrij lichte band in het zoomveld. Het gelobd halmuiltje heeft op de bovenzijde van het borststuk een oranje haarbosje wat kenmerkend is. Verder is kenmerkend de meervoudig ingesneden en sterk en duidelijk gelobde binnenrand van de lichte band in het zoomveld. De inkepingen zijn zichtbaar als dunnen zwarte streepjes op de aders in het zoomveld. De meest opvallende lob is krijtwit en zit het dichts bij de binnenrand van de vleugel. Bij twijfel moet genitaliën onderzoek uitkomst bieden. De vliegperiode is van mei tot eind augustus in één generatie en de spanwijdte bedraagt 22-25mm. Waardplant: kropaar, kweek en rietgras. Engelse benaming: Marbled Minor. Friese benaming:

 

Stam: Apameini
Geslacht: Oligia

Oranjegeel halmuiltje – 2019 (NL)

Van de halmuiltjes is het oranjegele halmuiltje (Oligia fasciuncula) het best te herkennen. De grondkleur van bovenkant van de voorvleugels is geelbruin tot oranjebruin. Het meest kenmerkend is de donkere middenband die begrensd wordt met wit afgezette dwarslijnen. De ring- en niervlek zijn lichtgekleurd en niet opvallend omrand. De vliegperiode is van mei tot in juli in één generatie en de spanwijdte bedraagt 22-26mm. Waardplant: diverse grassen. Engelse benaming: Middle-barred Minor. Friese benaming: Oranjegiel halmûltsje.

 

Stam: Apameini
Geslacht: Rhizedra

Herfstrietboorder – 2018 (NL)

De herfstrietboorder (Rhizedra lutosa) is een vrij forse uil. De smalle, spits toelopende voorvleugel heeft vaak een scherpe, soms iets naar achter buigende vleugelpunt. De basiskleur varieert van strokleurig grijs of licht grijsachtig bruin tot licht roodachtig bruin. Op de vleugel is vaak een grijs- of zwartachtige bestuiving aanwezig. Op de voorvleugel is een lichte adering zichtbaar en een kleine donkere kern van de bijna niet zichtbare niervlek. De buitenste dwarslijn bestaat uit een rij donkere stippen. Op het borststuk is vaak een fijne, kamachtige middennaad aanwezig. De vliegperiode is van eind juli tot in november in één generatie en de spanwijdte bedraagt 42-50mm. Waardplant: riet. Engelse benaming: Large Wainscot. Friese benaming: Hjerstreidboarder.

 

Stam: Noctuini
Geslacht: Agrotis

Gewone worteluil – 2015 (NL)

De gewone worteluil (Agrotis clavis) heeft een lichtbruine tot donkerbruine grondkleur. Op de voorvleugel is altijd wel een duidelijk opvallende donkere kleine streep te zien in de lengterichting van de aders. De uilvlekken zijn donkerder gekleurd dan de grondkleur en duidelijk herkenbaar. De gewone worteluil vliegt in twee generaties van mei tot in oktober en de spanwijdte bedraagt 30-38mm. Waardplant: diverse kruidachtige planten. Engelse benaming: Heart and Dart. Friese benaming: Gersûltsje.

 

Stam: Noctuini
Geslacht: Agrotis

Puta-uil – 2017 (NL)

De puta-uil (Agrotis puta) heeft op de voorvleugel een lichte ringvlek met een donkere kern. Het mannetje heeft een lichtbruine voorvleugel waarop de niervlek moeilijk te zien is. De ringvlek steekt wel duidelijk af. Het vrouwtje heeft een veel donkergekleurde voorvleugel. De puta-uil vliegt in twee generaties van april tot in oktober en de spanwijdte bedraagt 30-32mm. Waardplant: zuring, paardenbloem, gewoon varkensgras en sla. Engelse benaming: Shuttle-shaped Dart. Friese benaming: Putaûltsje.

 

Stam: Noctuini
Geslacht: Agrotis

Grote worteluil – 2018 (NL)

Een goed te herkennen uil is de grote worteluil (Agrotis ipsilon). Kenmerkend is de langgerekte zwarte pijlvormige streep aan de buitenzijde van de niervlek. Deze streep steekt ver het zoomveld in en raakt soms de kleinere pijlvlekken aan de binnenzijde van de golflijn. In rusthouding worden de vleugels over elkaar heen geslagen waardoor een smalle en lange indruk wordt gecreëerd. De vleugels variëren verder in kleur van licht- tot donkerbruin waarbij de lichte exemplaren een donkere strook langs de voorrand hebben. De vliegperiode is van april tot in oktober in twee generaties en de spanwijdte bedraagt 35-50mm. Waardplant: kruidachtige planten, grassen en groenten. Engelse benaming: Dark Sword-grass. Friese benaming: Grutte woartelûle.

 

Stam: Noctuini
Geslacht: Diarsia

Gewone breedvleugeluil – 2017 (NL)

De gewone breedvleugeluil (Diarsia rubi) heeft een roodachtige gloed (rubi = rood) over de bovenkant van de voorvleugels. Op de vleugels zit verder een roodachtig bruine of donkerbruine band en bestuiving. De buitenste dwarslijn is aan de buitenzijde afgezet met een zeer donkere lijn die geleidelijk overgaat in een lichtere zone. Tussen de niervlek en de ringvlek zit een donkere vierkante vlek. De vliegperiode is van mei tot oktober in twee generaties en de spanwijdte bedraagt 28-33mm. Waardplant: paardenbloem, zuring en vingerhoedskruid. Engelse benaming: Small Square-spot. Friese benaming: Gewoan breedwjukûltsje.

 

Stam: Noctuini
Geslacht: Noctua

Huismoeder – 2008 (NL)

De huismoeder (Noctua pronuba) is een zeer variabele in kleur maar kenmerkende uil met lange smalle afgeronde voorvleugels. De kleur van de voorvleugels kan variëren van roodbruin tot zwartbruin met weinig tekening tot lichtbruin met lichtbruine of grijze marmering. Op de plek waar de golflijn de voorrand raakt zit een zwart vlekje. De achtervleugel is oranje met een smalle zwarte achterrand. De nier- en ringvlek zijn goed waarneembaar. De huismoeder vliegt ’s nachts in één generatie van juni tot in oktober en de spanwijdte bedraagt 42-52mm. Overdag zitten ze verscholen in lage struiken of planten. Waardplant: diverse kruidachtige planten en grassen. Engelse benaming: Large Yellow Underwing. Friese benaming: Tsjoenster.

 

Stam: Noctuini
Geslacht: Noctua

Open-breedbandhuismoeder – 2017 (NL)

De open-breedbandhuismoeder (Noctua janthe) is moeilijk te onderscheiden van de kleine breedbandhuismoeder (Noctua janthina). Vooral in de rusthouding is dit het geval. Het verschil tussen beide breedbandhuismoeders is het beste te zien aan de achtervleugel. Deze uil heeft een paars- of roodachtig bruine voorvleugel met een donkere dwarsband die overgaat in een lichte zone. De uilvlekken zijn nauwelijks zichtbaar.  De poten lopen qua kleur over van een lichte effen kleur in een deel met zwarte bandjes. De vliegperiode is van juni tot september en de spanwijdte bedraagt 30-40mm. Waardplant: diverse kruidachtige planten, struiken en loofbomen. Engelse benaming: Lesser Broad-bordered Yellow Underwing. Friese benaming: Iepenbreedbântsjoenster.

 

Stam: Noctuini
Geslacht: Noctua

Zwartpuntvolgeling – 2017 (NL)

De zwartpuntvolgeling (Noctua orbona) lijkt erg op de volgeling (Noctua comes) die een bredere voorvleugel heeft. Bij de zwartpuntvolgeling zit een duidelijk begrenst zwart vlekje op de veelal grijsachtig bruine voorvleugel dicht bij de vleugelpunt. Die ontbreekt bij de volgeling. Op de oranjegele achtervleugel zit een donkere maanvormige middenvlek en langs de achterrand loopt een smalle zwarte band. Vaak bevindt zich tegen de voorrand van de voorvleugel, net onder de niervlek, een klein donker vlekje met daarnaast een witachtig vlekje. De vliegperiode is van mei tot september in één generatie en de spanwijdte bedraagt 38-45mm. Waardplant: allerlei grassen en kruidachtige planten. Engelse benaming: Lunar Yellow Underwing. Friese benaming: Swartpuntfolgeling.

 

Stam: Noctuini
Geslacht: Noctua

Kleine breedbandhuismoeder – 2019 (NL)

Voor het benoemen van de huismoeders is het zaak een kijkje te nemen naar de bovenkant van de achtervleugels. Die zijn heel kenmerkend en geeft je de mogelijkheid de juiste soort te benoemen. Voor de kleine breedbandhuismoeder (Noctua janthina) had ik het geluk dat ik op het juiste moment een foto kon maken. Deze uil is wat kleiner dan zijn soortgenoten en heeft een paars- of roodachtige voorvleugel die soms blauwgrijs lijkt. De tekening op de voorvleugel is relatief slecht zichtbaar. Wel zie je vaak een duidelijke bandering. Het meest kenmerkende is de achtervleugel die okergeel is met bij de vleugelwortel een grote donkere vlek en langs de achterrand een zeer brede zwartachtige band die langs de voorrand met elkaar verbonden zijn. In het min of meer ingesloten ronde of ovale oranje veld daartussen zie je meestal zwarte aders. De vliegperiode is van eind juni tot in september in één generatie en de spanwijdte bedraagt ongeveer 35mm. Waardplant: diverse kruidachtige planten, loofbomen. Engelse benaming: Langmaid’s Yellow Underwing. Friese benaming: Lytse breedbântsjoenster.

 

Stam: Noctuini
Geslacht: Noctua

Breedbandhuismoeder – 2020 (NL)

Voor het herkennen van de huismoeder soorten moet je altijd letten op de achtervleugel om zeker te zijn van de juiste identificatie. Voor de breedbandhuismoeder (Noctua fimbriata) is dat niet direct nodig. De kleur van de bovenzijde van de voorvleugel is varierend, maar de tekening is vrij constant. De voorvleugel van het mannetje is roodachtig bruin tot olijfgroen en bij het vrouwtje is dat lichtbruin, lichtgoen of roodachtig bruin. De dwarslijnen zijn ongetand en op de oranjegele achtervleugel loopt een brede zwarte zoom langs de achterrand. De witte poten zijn aan het uiteinde zwartwit geringd. De spanwijdte bedraagt 45-55mm en de vliegperiode is van juni tot oktober in één generatie. Waardplant: brandnetel, zuring, berk, braam, liguster en wilg. Engelse benaming: Broad-bordered Yellow Underwing. Friese benaming: Breedbântsjoenster.

 

Stam: Noctuini
Geslacht: Ochropleura

Haarbos – 2017 (NL)

De haarbos (Ochropleura plecta) valt het meest op door zijn geelkleurige brede strook langs de vleugelrand. Direct naast deze lichte strook zit een zwarte baan en de rest van de vleugel is donkerbruin. De uilvlekken vallen duidelijk op vanwege de witte omlijning. Op de kop is een opvallend lichtbruine beharing aanwezig. De vliegperiode is van april tot in oktober in twee en soms drie generaties en de spanwijdte bedraagt 24-30mm. Waardplant: diverse kruidachtige planten. Engelse benaming: Flame Shoulder. Friese benaming: Hierbosk.

 

Stam: Noctuini
Geslacht: Xestia

Zwarte C-uil – 2017 (NL)

De zwarte C-uil (Xestia c-nigrum) is goed te herkennen aan de opvallende strogele driehoekige vlek langs de voorrand van de voorvleugel. Aan deze lichte vlek grenst een zwarte vlek in de vorm van een hoekige ‘C’. De kraag van deze uil is ook strogeel. De rest van de voorvleugel is donkergrijs. De achtervleugel is wit en langs de achterrand een grijze bestuiving. De zwarte C-uil vliegt in twee generaties van april tot december en de spanwijdte bedraagt 28-38mm. Waardplant: brandnetel, dovenetel en wilgenroosje. Engelse benaming: Setaceous Hebrew Character. Friese benaming: Swart c-ûltsje.

 

Stam: Noctuini
Geslacht: Xestia

Vierkantvlekuil – 2018 (NL)

Een uil die je vooral in de nazomer ziet is de vierkantvlekuil (Xestia xanthographa). Het is een erg variabele soort qua kleuren. De lichte en/of licht omlijnde niervlek is kenmerkend. Ze lijken door de donkere opvulling aan de uiteinden van de lobben soms vierkant. De ringvlek steekt vaak ook licht af en tussen de ring- en niervlek licht vaak een donker vlak. De geschulpte dwarslijnen zijn niet altijd zichtbaar en de buitenste dwarslijn is altijd zichtbaar als een rij stippen of streepjes. De kleur van de voorvleugel varieert van lichtbruin tot rood- of grijsachtig bruin. De vliegperiode is van eind juli tot in oktober in één generatie en de spanwijdte bedraagt 32-35mm. Waardplant: walstro en pijpenstrootje. Engelse benaming: Square-spot rustic. Friese benaming: Fjouwerkantflekûltsje.

 

Stam: Noctuini
Geslacht: Xestia

Driehoekuil – 2020 (NL)

Een uil die sterk op de trapeziumuil (Xestia ditrapezium) lijkt is de driehoekuil (Xestia triangulum). De redelijk brede voorvleugel is meestal licht grijsachtig bruin met soms een rood- of rozeachtige tint. Soms is de voorvleugel donkerder of overheersend grijs. De driehoekuil heeft een iets bredere en lichtere voorvleugel dan de trapeziumuil en een grijsbruine achtervleugel waar de trapeziumuil een lichtbruine achtervleugel heeft. Op de achtervleugel is een vage middenvlek te zien en de de franjes zijn iets lichter gekleurd dan de achtervleugel. Het beste is het verschil te zien aan de zone tussen de dwarslijn die het wortelveld begrenst en de binnenste dwarslijn. Bij de driehoekuil is deze zone even licht als het wortelveld. Bij de trapeziumuil is deze zone juist donkerder. Op de voorvleugel is een zwart veld te zien waarin de lichtere ringvlek schuin naar binnen steekt. De zwarte vlekken boven en onder de ringvlek zijn vaak niet verbonden. Vlakbij de vleugelpunt op de voorvleugel is een zwart vlekje te zien wat hem onderscheidt van de gelijkende ruituil (Xestia stigmatica). De vliegperiode is van mei tot september in één generatie en de spanwijdte bedraagt 36-46mm. Waardplant: weegbree, zuring en brandnetel. Engelse benaming: Double Square-spot. Friese benaming: Trijehoekûltsje.

 

Stam:
Geslacht: Axylia

Houtspaander – 2017 (NL)

De houtspaander (Axylia putris) is in ruststand een smalle uil doordat de vleugels rond het lichaam worden gevouwen. Vanwege de lichtbruine houtkleur en het opvouwen van de vleugels lijkt de vlinder net een takje. De niervlek bevindt zich op de scheiding van de lichte kleur en de donkere kleur langs de voorrand. De houtspaander vliegt in één soms twee generaties van mei tot september en de spanwijdte bedraagt 28-32mm. Waardplant: walstro, weegbree, brandnetel, zuring en dovenetel. Engelse benaming: Flame. Friese benaming: Houtspuonûltsje.

 

Stam:
Geslacht: Caradrina

Morpheusstofuil – 2017 (NL)

De morpheusstofuil (Caradrina morpheus) heeft een okerbruine tot bruingrijze kleur. Zowel de niervlek als de ringvlek zijn donker gekleurd en daardoor duidelijk zichtbaar. Beide uilvlekken zijn niet omrand met een lichte kleur. Door de niervlek loopt vaak een oranjekleurige lijn. De bovenkant van de achtervleugel is wit en donkere aders en franjelijn. Deze stofuil vliegt in één generatie van mei tot in augustus en de spanwijdte bedraagt 32-38mm. Waardplant: brandnetel, zuring, ganzenvoet, kaardebol, bijvoet, walstro en hop. Engelse benaming: Mottled Rustic. Friese benaming:

 

Stam:
Geslacht: Globia

Egelskopboorder – 2017 (NL)

De egelskopboorder (Globia sparganii) heeft een geelbruine grondkleur. Op de vleugels zijn twee rijen zwarte vlekjes te zien, één bij de franje lijn en één iets meer naar binnen. Op het midden van de voorvleugel is een zwarte veeg te zien die vanuit de vleugelwortel zich uitstrekt tot de twee zwarte vlekjes in het middenveld. De vliegperiode is van juli tot in oktober in één generatie en de spanwijdte bedraagt 32-40mm. Waardplant: riet. Engelse benaming: Webb’s wainscot. Friese benaming: