Witjes

De Pieridae oftewel de witjes doen hun naam geen eer aan. Deze vlinderfamilie bestaat juist uit vlinders met een grote verscheidenheid aan kleuren en sommige soorten hebben een opvallende vleugeltekening. Alhoewel voornamelijk geel, wit en oranje voorkomen zie je ook wel rood en zwart. De spanwijdte is meestal rond de 50 mm en alle pootjes hebben gevorkte klauwtjes. Mannetjes en vrouwtjes zijn veelal verschillend van uiterlijk.

Oranjetipje – 2008 (NL)

Het oranjetipje (Anthocharis cardamines) is een standvlinder die in Nederland van eind maart tot begin juni rondvliegt in één generatie. In het Noorden kom ik ze niet vaak tegen. De onderkant van de achtervleugel is geelachtig groen. Het mannetje valt op door de oranje vleugelpunten op de bovenkant van de voorvleugels. Beide hebben ze een zwarte punt op de bovenkant van de voorvleugel. Waardplant: pinksterbloem en look-zonder-look. Engelse benaming: Orange tip. Friese benaming: Oranjetipke.

Resedawitje – 2008 (JO)

Het resedawitje (Pontia daplidice) is een trekvlinder die in Nederland niet veel voorkomt. Deze vlinder zijn rond de Middellandse Zee veel algemener waar ik hem dan ook heb gespot tijdens een werkbezoek aan Jordanië. De onderkant van de achtervleugel is groengeel gemarmerd en op de onderkant van de voorvleugel zit een zwarte vlek. Waardplant: raket en zandkool. Engelse benaming: Bath white. Friese benaming: Resedaflinter.

Klein geaderd witje – 2009 (NL)

Het klein geaderd witje (Pieris napi) wordt vaak verward met het kleine koolwitje. De aders op de onderkant van de achtervleugel zijn duidelijk zichtbaar en direct naast de aders is een grijsgroene bestuiving aanwezig. Op de bovenkant van de voorvleugel zit één zwarte vlek (mannetje) of twee zwarte vlekken (vrouwtje). De zwarte vlek in de vleugelpunt loopt geleidelijk naar beneden. Het klein geaderd witje vliegt in meerdere generaties rond van maart tot oktober. Waardplant: pinksterbloem en look-zonder-look. Engelse benaming: Green-veined white. Friese benaming: Lytse swartstreek wytflinter.

Gewone grasgeeltje – 2010 (JP)

Het gewone grasgeeltje (Eurema hecabe) is een dagvlinder die niet in Europa voorkomt, maar in Azië of Afrika. Ik heb deze vlinder dan ook in Japan tijdens een werkbezoek gespot. De vleugels zijn geel met op de onderkant bruine spikkels en enkele kleinere bruine vlekjes. Waardplant: acacia en gouden regen. Engelse benaming: Common grass yellow. Friese benaming: –

Groot koolwitje – 2013 (NL)

Het groot koolwitje (Pieris brassicae) is een trekvlinder die zeer algemeen in Nederland voorkomt. Ze vliegen in meerdere generaties rond van maart tot november. Dit witje heeft een grote donkere zwarte vleugelpunt die zich uitbreidt langs de voor- en achterrand. Hiermee is het groot koolwitje ook te onderscheiden van het klein koolwitje. De aders aan de onderkant zijn niet grijsgroen bestoven. Waardplant: look-zonder-look, zandraket, zeekool en damastbloem. Engelse benaming: Large white. Friese benaming: Grutte wite koalflinter.

Citroenvlinder – 2014 (NL)

De citroenvlinder (Gonepteryx rhamni) is een standvlinder die rondvliegt in één generatie van februari tot oktober. De grondkleur van beide vleugels is gelijk. Bij het mannetje is dit meer citroengeel en bij het vrouwtje licht groenwit. Zowel de voor- als achtervleugel zijn in de vorm van een boomblad waarbij de scherpe punt van de achtervleugel goed opvalt. Waardplant: sporkehout en wegedoorn. Engelse benaming: Brimstone. Friese benaming: Sitroenflinter.

Klein koolwitje – 2015 (NL)

Het klein koolwitje (Pieris rapae) wordt gemakkelijk verward met het klein geaderd witje. Het klein koolwitje heeft echter geen groengele bestuiving langs de aders aan de onderkant. Daarnaast is de zwarte vlek op de voorvleugel in de punt recht afgesneden en vloeit niet naar beneden. Het klein koolwitje vliegt in meerdere generaties rond van maart tot november. Waardplant: reseda. Engelse benaming: Small white. Friese benaming: Lytse wite koalflinter.